Terug naar het overzicht

‘KEN JE MIJ, WIE BEN IK DAN?’

28 januari 2019 /
door Aart Mak

Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 2 augustus 2017  - Voorganger: Aart Mak, Bloemendaal

‘KEN JE MIJ, WIE BEN IK DAN?’

N.A.V. OPENBARING 2: 17

“Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint zal ik van het verborgen manna geven, en ook een wit steentje waarop een nieuwe naam staat die niemand kent, behalve degene die het ontvangt ”.

 Ik sprak pas iemand, een vrouw, mijn generatie, iets ouder. Samen met haar man had ze nooit kinderen gekregen.
Op een of andere manier waren zij samen in hun huwelijk dat verdriet te boven gekomen. Maar toen gebeurde er meer. De laatste jaren heeft zij allerlei operaties ondergaan. Er was de medische noodzaak haar borsten te amputeren. Een letterlijk en emotioneel ingrijpende operatie. Verlies van vrouwelijkheid. Ken je mij nog? Wie ben ik dan?
Het was haar angstige vraag ook op zeker moment. Maar haar man was en is een schat. Hij hielp haar. Trouw, geduldig, liefdevol. En er was die operatie in haar buik. Baarmoeder weg, een cyste had verwoestend huisgehouden. En dan vraagt iemand zoals zij zich wel eens af: ken je mij, wie ben ik dan?

Dit is maar één voorbeeld. U en ik weten – sommigen uit eigen ervaring – dat velen ergens in de loop van hun leven zich de angstige vraag stellen wie ze nog zijn. Ze vragen aan de ander: “Ken je mij nog?” Want er is intussen zoveel veranderd. Ingrijpende gebeurtenissen. Een ernstige ziekte. En als je verminkt bent geraakt door een ongeluk, in een rolstoel bent terecht gekomen, maar ook als je weduwnaar of weduwe bent geworden en je elke dag van binnen geamputeerd voelt. En mensen die ouder worden en in de war raken. Dementie. En dan komt er iemand die jou in elk geval heel goed kent. En dan vraag jij: “Ken je mij? Nog?

Wie ben ik dan?” Alsof je het zelf niet meer weet.

Je moet zorgen dat je jezelf niet kwijtraakt, zei mijn moeder tegen mij. Lang geleden. Ik was daar toen niet zo bang voor. Zij wel. Inmiddels weet ik beter wat zij misschien bedoelde. Het is de angst op te lossen. Niemand meer te zijn. Een vreemde te worden, als een schip losgeslagen van je ankers. Ja, vroeger zeiden we dan dat een mens aan lager wal kon raken. Dat waren de tijden dat we wisten wat deugdzaam en fatsoenlijk was. In deze tijden gebeuren er weer andere dingen. Mensen leven geestelijk als een soort nomaden. Altijd op drift. Een diepe onrust heeft in hen postgevat. Er is geen baken meer in hun leven. En dus pluk je de dag. En geniet waar je kunt. Je bent goedlachs. Je doet gek op z’n tijd. Maar als het anders gaat?

Als mensen tegenvallen, de zaak failliet gaat, een ziekte toeslaat, wie ben je dan? Kennen je kornuiten je dan nog? Herken jij jezelf nog? Wie ben je dan?

Ik haal steeds woorden aan uit die prachtige hertaling van Huub Oosterhuis van psalm 139. Psalm 139 is die psalm die als volgt begint:
HEER, u kent mij, u doorgrondt mij, u weet het als ik zit of sta, u doorziet van verre mijn gedachten. Ga ik op weg of rust ik uit, u merkt het op, met al mijn wegen bent u vertrouwd.

Enzovoort.

En Oosterhuis maakte er dit van en zijn dochter Trijntje zingt het:

Ken je mij?
Wie ken je dan?
Weet jij mij beter dan ik?
Ken jij mij?
Wie ben ik dan?
Weet jij mij beter dan ik?

Maar wie ben ik dan? Daal af in je binnenste en ontdek wat daar leeft aan gedachten en gevoelens, aan verlangens en teleurstellingen. En kijk niet alleen naar de lichte plekken. Daal dan nog verder af naar de verborgen donkere plaatsen. Daar waar dingen als spijt en schuld te vinden zijn. Schaamte natuurlijk ook. Sommige kinderen worden gepest. Maar dan zijn er ook kinderen die anderen actief pesten. Aan welke kant stond jij? En dat ligt allemaal opgeslagen in je binnenste. En nog heel veel meer.

Daarover gaat psalm 139. En Oosterhuis beschouwt dat niet alleen als een daad van geloof in God, die je kent dieper dan jij jezelf ooit zal kennen, maar ook als een daad van liefde. Want degene die liefheeft neemt de ander voor lief. En jou kent, soms beter dan jij. Omdat de liefde alles aan het licht brengt, ook wat je liever niet wilt weten.

Het kan, het mag.

En dan staat daar in het laatste Bijbelboek dat beeld van het witte steentje. Dat gaat over hetzelfde. Het is een prachtig beeld. Geen uitlegger weet eigenlijk goed wat het betekent. Volgens sommigen is het een soort Vip-card die de elite van Pergamum met elkaar deelde, waardoor dat selecte gezelschap overal toegang had. Anderen herinneren eraan dat dit wel eens een vrijgeleide kan zijn die Romeinse soldaten na hun pensionering meekregen zodat ze na zoveel jaren trouwe dienst als krijgsman, overal met respect zouden worden behandeld.

Maar hoe het zij, duidelijk is dat dit steentje gegeven wordt aan degene die overwint. Waarin? In vertrouwen in God, in een ander leven, in een ander koninkrijk dan het Romeinse keizerrijk. Het wordt ook het verborgen manna genoemd. Dat is datgene wat je in de onvruchtbare woestijn als brood uit de hemel ten deel valt. Alleen voor wie durft geloven. Voor wie het leven anders durft te zien dan het vaak lijkt te zijn. Zoals we soms zingen: het is vol wonderen om u heen. Kijk goed: medemensen zijn geen concurrenten, ze hebben net zoveel liefde nodig als jij.

Er bestaat goedheid. Genade zelfs. Dat is verborgen manna. Als een wit steentje. Dat steentje krijg je. Met een naam, nagelnieuw, die niemand kent dan alleen jij die het ontvangt. En degene die het jou geeft, natuurlijk. Let nu op. Deze naam geeft, anders dan jouw op aarde bekende naam, exact weer wie je bent. Dat weet blijkbaar alleen de hemel. Ook als je hier dwaalt en doolt, domme dingen doet, je goede naam te grabbel gooit, bewaart de hemel, God zelf, als een databank wie jij echt bent. Dat is onvervreemdbaar.

Het ligt op je te wachten. Gij die al mijn wegen kent.
Mijn hele leven stond al in uw boekrol te lezen.
Dat is weer die Psalm, psalm 139.

Tenslotte. Als zo’n naam voor jou al bestaat, als jouw identiteit vanaf of voor je geboorte al bekend is, hoe weet je dan hier op aarde al enigszins wie je bent? Antwoord?
Ik zou zeggen: denk dan eens aan het woord overgave.
Wil je naam maken? Of laat je het gebeuren?
In overgave aan het leven, je medemensen en wat je wacht aan onverwachte wendingen op je levensweg?
Wil je alleen maar je zelf gefantaseerde eigen koers volgen? Of durf je je over te geven aan de stem in je hart? De stille stem van God? Degene die weet?

Het christendom komt nog altijd bij de Christus vandaan, de mens die zich durfde overgeven aan zijn roeping.
Er zijn voor anderen. En daarin niet oplossen. Maar steeds beter weten wie hij was. Dat heet roeping. Je kunt het ook bestemming noemen. En wat gold voor die ene, geldt voor ons allen.

Ken je mij? Wie ben ik dan? En dan overkomt het je dat al die handicaps, al die operaties en littekens, al die onzichtbare wonden in je binnenste, niet doorslaggevend zijn voor wie je bent. Dat vormt je, zeker, het slijpt, schuurt en schaaft je tot degene die je inmiddels bent. En dat gaat alleen nog maar verder. Maar dat ben jij niet alleen.

Je bent een verbazingwekkend mens, dat jij daarin niet ten onder bent gegaan. En dan zul je een keer tot je stomme verbazing ontdekken, met dat witte steentje in je hand, en die naam lezend die daar staat, dat het klopt. Alles. Jouw levensloop maakte je tot degene die je altijd al was. Dat wist God al. En nu weet jij het ook.

Je dacht dat je een verliezer was. Je bent een overwinnaar.

Dat geloof. Ken je mij? Wie ben ik dan? En ook al weet je het even niet, dat kan, dat hebben we allemaal, vertrouw erop dat iemand u en uw naam bewaart in zijn eeuwig hart!
Amen.

Deel deze column:

Reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *