Preken Open Huis Dienst 3 oktober 2010

Door Ds. Aart Mak

 


 

Preken gehouden in de Open Huis dienst
op 3 oktober 2010

 Predikanten:
Ds. Theo Wielsma
Ds. Ari van Buuren
Ds. Jolien Nak
Ds. Aart Mak

  Preek door ds. Theo Wielsma                                           


Lieve mensen,

Boven het Bijbelgedeelte dat wij als uitgangspunt gebruiken heeft men gezet ‘Oproep aan de leerlingen’. Voordat iemand nu meteen zou gaan denken dat het dan niet voor haar of hem bestemd zou zijn, wil ik erop wijzen dat wij onszelf allemáál mogen rekenen tot de leerlingen van Christus. En dat er in die hoedanigheid tot op de dag van vandaag op vele manieren en in diverse omstandigheden allerhande oproepen aan ons gedaan worden. Daarvan uitgaande stellen we de vraag: “Waartoe worden wij dan eigenlijk opgeroepen?” Ik destilleer uit deze vraag twee antwoorden die te vinden zijn in:

a) vers 3: ‘Let goed op jezelf!’

b) vers 4: ‘Je moet van vergeving willen weten.’Gebonden aan tijd en aan gemaakte afspraken, wil ik alleen ingaan op het eerste dat door Christus bevolen wordt. ‘Let goed op jezelf!’ De vraag wordt wel gesteld of deze woorden op vers 3 of op vers 4 slaan. Ik kies voor het eerste. Die opdracht wil ik laten voortvloeien uit wat eraan voorafgaat. Namelijk dat we oog zullen moeten hebben voor mensen die, zoals er staat ‘ten val gebracht zijn’. Niet alleen voor die in onze omgeving maar voor allen die we waar dan ook ontmoeten in de samenleving waarvan we deel uitmaken.
Daar gebeurt namelijk nogal wat; dat is onvermijdelijk. Onder andere worden er, zoals gezegd, mensen ten val gebracht, hoe we dat ook willen zien. In de politiek – denk aan de laatste Kamerverkiezingen, in de kerk – de commissie - Deetman heeft het er maar druk mee,
in allerlei leef- en werkverbanden. Mensen worden ten val gebracht door eigen toedoen, eigen karakter, dus van binnenuit.
Door verslaving, door verspilling, door onverantwoordelijk handelen, door haat en nijd. Maar ook van buitenaf, bijvoorbeeld door de afgunst van anderen, door de kritiek die de buitenwereld uitspreekt ten aanzien van wat zij beweren, door medemensen die het niet eens zijn met hun leefwijze, door intieme benaderingen die vragen oproepen en levenslange schade aanrichten.

Als wij merken dat iemand onderuit wordt gehaald door de buitenwereld, dan moeten we dat niet maar voor kennisgeving aannemen. Nee, dan zullen we ons moeten vergewissen van het feit dat één of meer mensen daar verantwoordelijk voor zijn of kunnen zijn. Sterker nog, dat wij daar persoonlijk voor verantwoordelijk kunnen zijn. We hebben niet of niet genoeg op onszelf gelet.
De gevolgen daarvan zouden ons wel eens zwaar kunnen worden aangerekend. Christus laat daar geen misverstand over bestaan als Hij zegt: ‘Het zou beter voor hem zijn als hij met een molensteen om zijn hals in zee werd geworpen.’ Met andere woorden: als we iemand anders laten creperen, dan zijn we eigenlijk niet waard dat we verder leven.
Die molensteen waarover wordt gesproken vormt de garantie dat dan ook niet gebeurt.

‘Let dus goed op jezelf’ zegt Jezus. Wij dienen te letten op hoe wij reageren. Ten aanzien van hoe onze omgang met anderen is en ten aanzien van hoe wij met onszelf omgaan. Hoe wij reageren naar buiten toe en naar binnen toe. In de eerste plaats zullen we onszelf moeten opleggen om belangstelling te hebben en te houden voor de mensen om ons heen; belangstelling voor hun goede, maar meer nog voor hun slechte omstandigheden, veroorzaakt door hun val.

Wij dienen dan op onszelf te letten in die zin, dat we niet aan anderen voorbij leven omdat we slechts belangstelling zouden hebben voor ons eigen doen en laten. Dat laatste is geen fictie,
nee, dat is helaas dagelijkse realiteit. Wij leven vaak alleen voor onszelf. In de tweede plaats is het zaak dat we op onszelf letten om niet het gevaar te lopen dat wij onze eigen val zouden bewerkstelligen. Dat kan gebeuren voordat wij er erg in hebben. Vandaar dat wij er nog eens op worden gewezen dat wij onszelf in de hand zullen moeten houden. Dat wij ons zullen moeten conformeren aan het gebod om God lief te hebben boven alles en onze naaste als onszelf.

‘Kijk naar je eigen!’ zeggen ze in Amsterdam. Dat is iets anders dan ‘Let goed op jezelf!’ Want ‘opletten’ is ‘aandacht hebben voor’ en dat is iets anders dan ‘kijken naar’.
Scholieren kijken soms naar wat er op het bord geschreven staat terwijl tegelijkertijd totaal langs hen heen gaat wat de betekenis ervan is, want ze letten niet op.

Om in de schoolsituatie te blijven: vandaag knipt de grote Meester met zijn vingers en zegt tegen een ieder van ons: ‘Let op wat je doet en doe het dan ook goed. Ten aanzien van anderen en ten aanzien van jezelf! Want je draagt een grote verantwoordelijkheid.
En je weet het: Je staat er niet alleen voor; Ik ben erbij!’

Amen.

  
Preek door ds. Ari van Buuren                                   


Lieve mensen,

Dit is de tweede mini-preek. Elke preek gaat over een van de vier fragmenten in Lukas 17:1-10.
Het tweede fragment (vs.3,4) gaat vooral over: vergeving.

De voorgaande verzen eindigden met het woord van Jezus:


‘Let dus goed op jezelf’ (NBV).
Dat slaat tevens op dit vervolg over vergeving.
Dit woord is een schakel tussen het 1ste en 2de fragment.
‘Let goed op jezelf’, zo heet het. Je zou ook kunnen vertalen:
‘Houd jezelf in het oog’ (Naardense Bijbel). Of, zoals ik het zelf zou willen zeggen: ‘wees jezelf gewaar’. In het Grieks heeft dat een soort ondertoon in de trant van: ‘bewaar en behoed jezelf’.
Dat is hélemaal zonder ego!

Op het CDA-congres van 2 oktober ging ‘t kort gezegd over het in welke mate gedogen of bestrijden van de PVV.
Maar in dit evangelie gaat het wellicht nog diepergaand over: berispen, corrigeren en bij berouw vergeven. Jezus zegt: ‘Als een van je broeders of zusters zondigt spreek die dan ernstig toe; anders gezegd: corrigeer ze! En als ze berouw hebben vergeef het ze.’
Er schuilt een gevaar in alle verontwaardiging over wat bij anderen niet deugt bijvoorbeeld over de ‘verwildersing’ in de samenleving. Zeker, je mag zo nodig bestraffen, corrigeren. Maar dé vraag voor ons is: hoe zit het met onze vergevingsgezindheid?

Jezus zegt iets moeilijks: ‘Dagelijks moet je zonodig 7x vergeven. ‘
Uitgerekend heb ik, dat dit op jaarbasis 2.555 (!) keer betekent.
Kunnen we dat aan? Is dat wel levensecht?
Volgens Matteüs (18 :21,22) kan het nog erger. Jezus zegt daar tegen Petrus: ‘Je moet 70x7=490 keer vergeven’. Zou hij dat óók dagelijks bedoelen? Dat heb ik maar niet uitgerekend…
Zó vaak vergeven is net zoiets als bergen of bomen verzetten(vgl.vs 6). Jezus legt de lat wel heel erg hoog; het is een veel te hoge berg om te beklimmen of te bedwingen.
Dit woord over vergeving is wel alleen maar tegen de leerlingen gezegd.
Dat wordt dus ook òns voorgehouden. In de kleine intieme kring spreekt Jezus (slechts) over ònderlinge vergeving.
Maar – zó vaak onderlinge vergeving? Daar moet je toch niet aan denken?
Als het je vrouw of man, je kind of collega betreft houdt dat toch een keer op? Dag in dag uit 7x daags vergeven - nee, dàt zou je bijna ont-wortelen (anders dan in vs.6)!
Voor mijn gevoel schemert in alle vier evangeliefragmenten het ‘Onze Vader’ een beetje door.
Jezus bidt vóór en mét ons: ‘Vergeef ons God zoals ook wij onze schuldenaars vergeven.’ Zoals ook wij! Als God naar die mate zou vergeven, dan zouden we er misschien wel bekaaid van af komen.

We moeten léren vergeven!
Zo is er een oefening (bij URI), waarin mensen van verschillende geloven bij elkaar gaan zitten. Vervolgens delen ze met elkaar, b.v.: ik voel me door jou moslim, door jou hindoe, door jou…. – ik voel mij door jou gekrenkt, gekwetst, niet gezien!...
Maar omgekeerd delen we òòk: ik hèb jou moslim, hindoe, …
– ik, ja ik hèb jòu gekwetst, beledigd… Wat heb jij meegemaakt, Geert Wilders, waar zit jouw trauma eigenlijk?...

Dat leren vergeven moeten we tot een helend onderdeel van de opvoeding maken!
Daarbij gaat het om de opvoeding van kinderen of opvoeding in de kerk. Maar het gaat in de geest van het Onze Vader ook om voortgaande opvoeding (vredes-educatie) van elkaar, als we denken dat we volwassen zijn.
Het ‘Onze Vader’ leert ons dat we verzochte, beproefde mensen en tegelijk vergevende mensen zijn. Als we dat beseffen, dan worden we toch een beetje mild. Niet wilder, maar milder! God geeft ons ‘een mild en klaar seizoen’ zongen we (Gezang 448).

 ‘Let goed op jezelf’, daar begon het mee.
Mens je hebt een ego. Besef dat je niet alleen maar een vergevende bent. Vraag je zelf eens af, waarin je zèlf vergeving nodig hebt.
En vòel wat vergeving teweeg brengt. Voel dat eens tijdens de meditatieve muziek.
We zongen het al (Gezang 448): ‘vleugels van liefde kúnnen ons omringen’.
 

Amen

  

Preek door ds. Jolien Nak                                        


Lukas 17: 5 en 6

“Geef ons meer geloof” vragen de apostelen.
Heel herkenbaar.
Hoe vaak denken wij niet op momenten van onzekerheid en twijfel:
geef ons meer geloof.
Wat vragen we eigenlijk als we om meer geloof vragen. Geloof, wat is dat eigenlijk? Waar hebben we het over?
Laat ik eerst zeggen wat geloof niet is.
Het is niet het voor waar aannemen dat een bepaald feit bestaat.
Ook niet voor waar aannemen dat God bestaat.
Geloven heeft te maken met een relatie.
Om de relatie tussen een mens en zijn God.
De trouw van God roept het vertrouwen van mensen op.
Het gaat om de gelovige houding van mensen waarmee zij zich op God verlaten.
Een gelovig mens vertrouwt er op dat God met hem of haar is en zijn zal.
En die gelovige man of vrouw antwoordt dat hij of zij er zal zijn als partner, als rentmeester. Gehoorzaam en trouw aan het Woord van God.

Geef ons meer geloof.
De vraag is uitdrukking van het besef dat je de Heer alleen kunt navolgen op zijn weg wanneer Hij in jou het vertrouwen legt dat je je op Hem kunt verlaten
Geef ons meer geloof is een vraag om verbondenheid; om omgang met Christus en in Christus met de Eeuwige. Een vraag om de gezindheid, de geest waaruit Jezus leefde.
Een vraag om geworteld te zijn , verankerd in Christus.


Geef ons meer geloof is als een gebed.
“geef ons meer geloof” vragen de discipelen die nu apostelen worden genoemd.
Als we ons in de vraag van de apostelen herkennen, dan moeten we ons wel realiseren dat het niet zomaar apostelen zijn, maar de apostelen van Jezus.
En dat je dus met je vraag aan Jezus net zo’n relatie met hem aangaat als waarin zij staan.
Die vraag aan hun Heer is niet vrijblijvend en het antwoord van Jezus is niet los verkrijgbaar.

Jezus hoort ons geloof zeggen en om “meer geloof” vragen.
En hij heeft verstand van geloof. Hij weet dat het iets is van het koninkrijk van God; dat het met Gods doen en laten te maken heeft. En nu merkt hij bij die vraag naar meer geloof, dat zijn apostelen in de breedte denken: dat het geloof sterk moet zijn en dat ze ook denken aan de lengte in de tijd: dat je het met het geloof moet kunnen volhouden
Nu jezus’antwoord. Hij vindt dat de apostelen vooral aan de diepte en de hoogte ervan moeten denken

Jezus spreekt immers over het geloof als een mosterdzaad


Als iemand dit zaad ,waarvan gezegd wordt dat het kleinste is van alle zaden. Onooglijk klein. Je hebt bijna een vergrootglas nodig om dit minuscule zaadje te zien
Als iemand dit piepkleine zaadje in zijn tuin doet, groeit het uit tot een boom. En de vogels van de hemel nestelen in zijn takken
Het gaat niet om het volume of de hoeveelheid. Het gaat om de kiemkracht van het mosterdzaad. Het geloof in de zin van vertrouwen op Christus en in Christus op de Eeuwige kan niet anders zijn dan groeikrachtig als een mosterdzaad..
Wie gelooft heeft hooggespannen verwachtingen. De God die uit een mosterdzaadje een boom kan laten groeien, zal uit de toewijding en trouw van de zijnen zijn koninkrijk doen opbloeien.

Zelfs al is je vertrouwen zo klein als een mosterdzaad, dan nog kun je met woorden alleen,een moerbeiboom ontwortelen en in zee herplanten.
Nu heeft de moe

rbeiboom een wortelstelsel dat zich door geen tien olifanten laat ontwortelen, laat staan in zee herplanten.
Maar zegt jezus, met een vleugje vertrouwen in de God van Israel en zijn tora is dat een fluitje van een cent. Dat is de onvermoede kracht van wie zijn kaarten zet op wat volgens Tora en Evangelie gedaan moet worden:
Recht en gerechtigheid
Vergeving en verzoening
Zevenmaal, duizendmaal
Mensen in hun recht laten, in hun waarde

Het antwoord van jezus spreekt over het geloof als een mosterdzaad, zoals eerder over het koninkrijk . Het koninkrijk van God is als een mosterdzaad.
Het ideaal is niet een groot of stoer geloof. Een uiterst klein geloof, maar dat werkelijk iets zegt is voldoende zegt de Heer. Het koninkrijk van God komt niet langs de weg van stoere kracht. Eerder langs de weg van een geloof dat ontdaan is van allerlei kracht en machtsvertoon. In het koninkrijk gaat er ontspannen aan toe. Men heeft niets meer te verdedigen, is bereid te ontvangen en te delen en te geven.

Ik vermoed dat zoiets de bedoeling is van de kleine gelijkenis die hieraan toegevoegd wordt.

Amen.

  

Preek door ds. Aart Mak                                       


Wij zijn maar knechten, onnutte dienaars, we hebben enkel onze plicht gedaan. Lees Lucas 17: 10, het staat er. Gisteren zat ik, net als u misschien, te kijken naar dat CDA congres. Fascinerend.
Op een gegeven ogenblik klonk er luid applaus op voor de interim-voorzitter van het CDA de laatste maanden, Henk Bleeker. Hij werd er verlegen van. En toen was het applaus gedoofd en zei hij:
‘ Ach, in Groningen zeggen we altijd: ieder doet zijn werk.‘
En dat is nu precies wat hier in de bijbel staat: wij zijn maar knechten, we hebben enkel onze plicht gedaan.
Maar het irriteert ook! Het is een gelijkenis, notabene zo’n gelijkenis die nauwelijks bekend is. Je herkent een vage klank en het verhaaltje roept vervreemding op. Iemand heeft maar één knecht en die ene knecht moet ook werkelijk alles doen. Ploegen en de kuddes in de gaten houden en dan is het nog niet genoeg, nee, hij moet hij ook thuis het hele huishouden doen en het eten opdienen, en dan pas mag hij voor zichzelf nog eens gaan eten. Het doet toch denken, met onze moderne oren, aan het beroemde verhaal van Charles Dickens. Ebenezer Scrooge had ook maar één knecht: Bob Cratchit, weet u nog, en die arme man moest maar werken en werken. Tot hij er bij neerviel. En wij die dat verhaal kennen, zitten te wachten op de bekering van Scrooge. We hopen dat de heer zijn knecht nu eindelijk eens wat ruimte geeft. En dat hij eindelijk gaat inzien dat hij zijn medemens zo niet over de kling mag jagen. Met dat verhaal kijk je naar dit verhaal, tenminste zo vergaat mij dat.


 

Ik vermoed, de verteller van deze gelijkenis kennende, dat het daar niet om gaat. En dat je toch even op het andere been moet gaan staan om tot je door te laten dringen wat daar staat. Het gaat om gewoon zijn en gewoon blijven. Je voegen in het gewone. Dat zei mijn vader wel eens tegen mij als ik weer eens buitengewoon wilde zijn. De dingen doen die je moet doen en als je dan nog een stapje verder zet in het begrijpen van deze gelijkenis, dan kom je uit bij de strijd met je eigen ik. We willen zo graag iemand zijn, we willen zo graag dat het wat voorstelt wie we zijn. Dus zitten we allemaal ons best te doen om er wat van te maken en vooral goed over te komen. Hallo, aangenaam, mag ik me even voorstellen, wie ben je?
En voor je het weet ga je vertellen over wat je doet, over vroeger en nu en over wat je van plan bent te doen. Terwijl je ook zou kunnen zeggen als iemand je vraagt wie je bent, ‘Hier ben ik, ontdek het maar, laten we een gesprek hebben’. Niet wat we allemaal doen maar wie we zijn. Die strijd met het ego en het egocentrisme, is naar mijn gevoel de pointe van deze kleine gelijkenis.
En dan past het bij dat hele verhaal van het geloof en van mensen die onderweg zijn achter iemand aan die zelf ook altijd zei: ‘Ik ben jullie dienstknecht.‘ Zo worden mensen geen werelden op zich waarin alles draait om jouw zon, maar schakels in de ketting.
 

Wij mogen er zijn, eenvoudigweg omdat we er zijn. Ik moest denken aan wat ik wel eens gelezen heb van de Franse schilder Paul Cézanne. Dat was een uiterst eenvoudige man, een kind zou Jezus zeggen. Zo’n mens die Jezus graag dicht bij zich haalde om hem ten voorbeeld te stellen aan anderen die zo bezig waren met hun eigen drukte en hun eigen ik. Paul Cézanne leefde 35 jaar lang in de anonimiteit en maakte meesterwerken die hij weggaf aan nietsvermoedende buren. Hij hield zo veel van zijn werk dat de gedachte aan erkenning niet bij hem opkwam. Ook had hij niet het flauwste vermoeden dat hij ooit de vader van de moderne schilderkunst zou worden. Hij dankte zijn faam uiteindelijk aan een Parijse kunsthandelaar, die toevallig op een paar van zijn doeken stuitte en door middel van een tentoonstelling iets aan de wereld liet zien wat die wereld nog nooit gezien had. En de wereld was stomverbaasd bij de ontdekking van de meester. En de meester zelf, Cézanne, was net zo verbaasd. Geleund op de arm van zijn zoon, kwam hij bij de galerie aan. Hij kon zijn ogen niet geloven, toen hij zijn eigen werk daar geëtaleerd zag. En wat zij hij, met kinderlijke verwondering, tegen zijn zoon: ‘Kijk eens, ze hebben ze ingelijst!’ Laat dat het woord zijn dat blijft hangen. Wij die zo ons best doen om tijdens ons leven ons zelf in te lijsten, onszelf te laten zien, zouden er goed aan doen ook hier weer even stil te staan bij het diepe geloof dat dat inlijsten iets is voor iemand anders. Dat hoeven wij niet te doen, dat doet onze Schepper wel.

Amen.

Ds. Aart Mak, Stichting Kerk Zonder Grenzen, Vijverweg 14
2061 GX Bloemendaal, Tel. 023-5254842
email: info@kerkzondergrenzen.nl ; email ds. Aart Mak: aartmak@dds.nl
www.kerkzondergrenzen.nl

okt.. 2010
 

Terug naar overzicht…