Waar is de hemel gebleven (en de hel)?

Door Ds. Aart Mak

 

toespraak 13 februari 2011

Ik dacht al lang geleden: ‘Misschien moet ik deze vraag hardop maar eens stellen in de kerk.’ Waar is de hemel gebleven en, tussen haakjes, waar de hel? Nu weet ik en u weet het waarschijnlijk ook, dat in alle eeuwen mensen met een mystiek gevoel zich bij de hemel niet het uitspansel voorstelden maar iets dat puur innerlijk is. Een gevoel van enorme bevrijding, een licht in de nacht. Dat speelt zich volkomen in jouw eigen ziel af, het komt of zit van binnen, mensen reppen tegenwoordig wel eens over een piekervaring of, als je even bent weggeweest, over een Bijna-doodervaring. Als zij daarover vertellen, zeggen ze even, in de beleving van hun geest, een soort hemel te hebben waargenomen. Onuitsprekelijk en onvoorstelbaar licht. Die betekenis van de hemel wil ik in elk geval graag vasthouden. Tegelijk realiseer ik me dat in het algemeen gangbare spraakgebruik mensen bij het woord hemel toch altijd  omhoog kijken en daar de wolken en luchten zien en dat wij, mensen van de 21e eeuw, al te goed weten dat daar achter de stratosfeer is en daar achter weer een oneindig en in hoog tempo uitdijend heelal.

Het is dus wat om de hemel steeds maar weer te noemen in het christelijk geloof. Ook in andere geloven gebeurt dat trouwens. En voordat je het beseft, spreek je een taal die niet meer verstaan wordt. Ik heb het gevoel dat dit ook speelt bij mensen die wel verbonden zijn met kerk en geloof. Zoals in het begin van deze dienst gezegd wordt over de Heer die hemel en aarde gemaakt heeft. Ik weet zeker dat u dit of gedachteloos nazegt en laat voor wat het is, een oude, klassieke formule, maar dat u er niet over piekert om dit aan uzelf of anderen uit te leggen. Want wat moet u uitleggen, wat bedoelen wij met elkaar in ook deze kerk nu helemaal mee? Soms zijn we, tenminste ik ben het, jaloers op mensen van vroegere tijden die als het ware een groot hemels baldakijn konden schilderen en zeiden: Boven zit God met al zijn engelen, machten, tronen, aartsengelen, cherubs en serafijnen. Dan heb je de aarde met de mensen en die aarde hoort bij wat zich daarboven afspeelt. En daaronder heb je dan nog de onderwereld, de wateren onder de aarde en later: de hel. Met bewondering en verwondering kunnen wij in alle kerken die al wat eeuwen oud zijn, de indrukken en ideeën van kunstenaars daarover zien.

Maar de hemel is al een halve eeuw lang een lastig begrip geworden. Het is zelfs voor moderne mensen die het christelijk geloof aanhangen, een struikelsteen. Hier komt sinds deze eeuw bij dat er op sommige plekken van jonge mannen wordt gevraagd dat ze een bom op hun lichaam bevestigen en zichzelf en onschuldige mensen opblazen. Waarom doen ze dit? Omdat hun verteld is dat ze daarmee zeker kunnen zijn van een plek in de hemel. Daar heb je dus weer, de hemel. Maar het maakt de zaak er nog moeilijk op. Als christen kunt u zeggen dat u daar niets mee te maken heeft. Maar het gaat wel om de mensheid en wat wij hier op aarde met elkaar aan het doen zijn. En daarmee doet het er toe hoe anderen de hemel zien en hanteren voor hun doelen. Dat raakt ook ons. Je kunt natuurlijk zeggen, ik citeer: ‘Die  martelaren van het moslimfundamentalisme moeten doen wat de mensen die het van hen vragen niet eens zelf hebben gedaan. Jezus stierf tenminste nog zelf. En als iemand jou ooit voorstelt om martelaar te worden zeg dan: ‘na jou’. Het zijn uitstekende opmerkingen. Maar we blijven wel met het probleem zitten. Wat moeten we met de hemel? Waar is die gebleven?

Ik liet u net twee gedeelten uit de bijbel lezen. Die bijbelgedeelten gaan misschien niet rechtstreeks over de hemel maar ik vermoed dat zij in onze beleving er uiteindelijk wel over gaan. Mozes zegt aan het eind van zijn leven: Kies dan, voor de dood of voor het leven. En Jezus heeft het ook over kiezen. Rechts de schapen en links de bokken. Die beelden, de verdeling tussen links en rechts, ik weet uit ervaring hoezeer zij oudere mensen die daarmee zijn groot geworden, angst hebben aangejaagd. Ik begrijp de moderne christenen waar ik ook bij hoor, die zeggen: Je moet dit echt symbolisch zien. Zeker, natuurlijk! Maar hoe dan? Onderhand blijven de oude beelden en interpretaties wel spoken. En dan gaat het toch weer over schapen en bokken en dus over mensen die er niet bijhoren en die dus naar de hel toegaan, met de satan die daar heerst en allerlei vuren waarin je geroosterd wordt. Het is inderdaad angstaanjagend. De valkuil is dat je het geloof op de wereld plakt en daar toch weer een of-of van maakt, het is zwart of wit. Sommige mensen wel, anderen niet. Ja of nee. Maar wat is daar mis mee, staat het dan niet zo in de bijbel? Ik hoor het sommigen van u zeggen. Ja het staat in de bijbel maar waarom staat het zo in de bijbel? Dat moet je altijd bedenken, evengoed als dat wij vaak te lui zijn om te lezen wat er echt staat.

Maar dat gezegd hebbend, geldt ook weer dit: het blijft toch een heel ingewikkeld verhaal, dat geloof.
Je kunt natuurlijk als modern gelovig mens ergens in het verleden een keuze hebben gemaakt. Dan zeg je nu: Voor mij is God een soort kracht in mijn bestaan, een soort iemand bij wie ik soms te rade ga en ik geloof dat deze God mij draagt en dient en nabij is, ook al voel ik dat vaak niet. In allerlei moderne kerkliederen wordt dat ook zo verwoord. Maar tegelijkertijd, we kunnen er niet omheen, word je dan wel geconfronteerd met buren, collega’s en andere mensen in je omgeving die jou aanklampen en zeggen: Hoe zit dat eigenlijk, jij gelooft toch, maar waar sta jij dan voor? En geloof jij, denk aan dat eerder door mij vertelde verhaal van de eskimo en de brave zendeling, geloof jij dat sommige mensen naar de hemel gaan en de anderen naar de hel? Wat zegt u: Ja dat geloof ik. Ik zelf zou zeer aarzelen. Ik zou niet goed weten wat te zeggen. Misschien lijk ik wel erg op die zendeling die zegt: ‘Als je er niets weet van god of geloof, dan komt het heus wel goed met je. ‘Maar waarom heeft u mij dan verteld van die hemel en die hel?’, is dan de wedervraag. Begrijpt u het dilemma? Soms is die hele bijbel en de geschiedenis van die bijbel en alle beelden uit die bijbel blokken aan ons been. Het oude geloof en de oude beelden kunnen een last zijn. In de moderne wereld kun je nauwelijks mee uit de voeten. Niet zozeer omdat anderen dat zeggen, dat ook, maar eerder nog vanwege je eigen manier van denken.

Gisteren stond in Trouw een aardig interview met Jan Bor, misschien heeft u het gelezen. Jan Bor is de zoveelste geïnterviewde die aan de hand van de tien geboden allerlei dingen zegt over zichzelf. Hij zegt dit naar aanleiding van de vraag over God: ‘Laat ik beginnen met het citaat van Nicolaas van Cusa, een mysticus uit de 14e eeuw. Hij beschrijft een ontmoeting tussen een christen en een heiden. De heiden vraagt aan de christen: ‘Wie aanbid je?’ En de christen antwoordt: ‘Ik aanbid God.’ ‘Wie is God’, vraagt de heiden. ‘Dat weet ik niet,’ antwoordt de christen. Dan zegt de heiden: ‘Hoe kun je nu aanbidden wat je niet weet?’ Dan volgt dat prachtige, ongelooflijk diepzinnige antwoord van de christen: ‘Ik aanbid omdat ik niet weet.’ Einde citaat. Jan Bor was er blij mee om dat te lezen. En ik om dat weer van hem aangereikt te krijgen. Het is werkelijk om over na te denken. Het opent een enorme ruimte, ook weer een mystieke ruimte, een opening naar een innerlijk leven dat groots is en rijk. Maar, nu weer terug naar de lijn van deze preek, het vervelende van geloven is dat wij aanwijsbare dingen om ons heen willen hebben. Het moet allemaal niet alleen in het luchtledige van de ziel zijn. Geloven veronderstelt ook, ik denk nu aan de ouderen onder ons die voortkomen uit een cultuur waar het christendom zo duidelijk aanwezig was, dat er  duidelijkheid bestaat over dat christelijk geloof. Het moet aanwijsbaar zijn, God mag verborgen zijn, maar in de structuren van de samenleving, in de weten, de moraal, de manier van omgaan, mag het geloof toch zichtbaar worden. Ook dat geloof ervoor zorgt dat mensen zich verzamelen en vromen ontwikkelen om het leven te vieren, aan diepgang te winnen, elkaar bij te staan met raad en daad, dat allemaal. Inmiddels zijn we dus in een tijd en cultuur terecht gekomen waarin dat allemaal nauwelijks zichtbaar is.

Waar hebben we het dus over? Waar is de hemel gebleven? Hoeveel christenen zijn er niet die betwijfelen of er een hemel is na de dood? Tegelijkertijd zijn weer allerlei mensen in Nederland die vrijuit beginnen te praten over reïncarnatie. Het is inderdaad een chaos, dat geestelijke leven van tegenwoordig. Ik begrijp de mensen heel goed die zich vastklampen aan wat één of twee generaties geleden ferm en vastberaden werd geloofd. Tegelijkertijd geloof ik stellig dat we mee moeten met de beweging van de tijd. Ikzelf ben ook een beweger, ik zoek naar nieuwe taal, nieuwe vormen, altijd maar weer: hoe raken we het besef van God niet kwijt? De taak van Kerk Zonder Grenzen trouwens. En evengoed, zij het wat anders, vab alle huidige geloofsgemeenschappen. Wij kijken hier in deze kerk om ons heen en we zien oude mensen en kleine kinderen. Waar zijn de middengeneraties gebleven? Waar zijn de mensen die volop in het arbeidsproces staan, mensen die tot in hun vezels verbonden zijn met alles wat deze tijd te bieden heeft en als geen ander aanvoelen waar het naartoe beweegt? Hebben die dertigers en veertigers dan van huis uit, van ooit kerkhuis uit geen taal meer om duidelijk te maken wat ze geloven? Is het dan alleen maar: Er is  meer tussen hemel en aarde en er zal wel iets zijn? Dit is de grote verlegenheid.

Ik heb in mijn boekenkast een boekje uit de jaren zeventig. Titel: ‘Waar is de hemel gebleven?’ Dezelfde titel als nu deze preek. Het blijft natuurlijk hangen in je hoofd. Dit boekje is geschreven door iemand die natuurkundige was en theoloog en ook hij struikelt over de vraag. Zijn inzet: hoe moet je die moderne wereld van de fysica, de sterrenkunde en alles wat wij aan wetenschap hebben opgebouwd, verbinden met die oude wereld waarin de testamenten van de Bijbel zijn ontstaan?

Ik doe een poging. Het verhaal dat Jezus vertelt is wel heel concreet. Het gaat over de zes werken van barmhartigheid. Het gaat over het zien van je medemens. Het gaat over iemand die honger heeft te eten geven en wie dorst heeft te drinken. Het gaat over een vreemdeling, het gaat over iemand die naakt is, het gaat over iemand die ziek is en het gaat over iemand die gevangen is. De traditie heeft er later een zevende werk van barmhartigheid aan toegevoegd: het begraven van de doden. Dat is wel heel concreet vindt u niet? Helpt dat als je geen antwoord weet op de vraag waar de hemel is gebleven? Het is wel iets wat je in alle verstandelijke verwarring met je hart en met je handen kunt doen. Dat is wel een christendom waar ik van houd. U ook? Dan gaat het om een geloof waarin mensen bereid zijn zichzelf te overstijgen, uit de cirkel te stappen en zodanig met anderen verbonden te raken dat ze dingen doet waar ze van tevoren niet aan gedacht hadden. Ze laten zich in beweging brengen. Dit is het geloof van de bewogenheid. Jezelf verliezen in de liefde en zorg voor de ander. Maar dan toch. Het spijt me. We hebben ook ons verstand. Als we dan zo beig zijn met goed te doen, dan denk je ook na. En dan komt de vraag weer: zijn er mensen die naar hemel gaan en zijn er andere mensen die naar de hel gaan? Wat moeten we daarover zeggen?

Even iets anders. In het Kaskirapport dat Kerk Zonder Grenzen vorig jaar heeft laten uitvoeren blijkt dat mensen van de middengeneraties die nauwelijks naar de kerk gaan, als het over spiritualiteit gaat met drie dingen bezig zijn. Met autonomie, met authenticiteit en met geluk. Even voor uzelf spellen. Autonomie, dat is dat jij je eigen wet, je eigen richting wilt volgen. Je wilt dat zelf uitmaken. Authenticiteit is het verlangen jezelf te zijn, echt te zijn, dus echt van binnenuit leven’ je gevoel volgen. En geluk, ja wie wil er nu geen geluk? Gelukszoekers zijn we allemaal. Maar, nu komt het, alle drie de begrippen botsen met de oude christelijke traditie. Daar gaat het over heteronomie, want je zult moeten bukken onder Gods geboden. Niet jij bepaalt de wet, dat doen anderen, ten diepste de Ander. Kiezen, zegt Mozes, maar de keuze is niet aan jezelf maar voor wel of niet gehoorzaamheid. Dit is anders dan tegenwoordig, geloof me. Dan die authenticiteit. Veel oudere christenen hebben juist daar grote moeite mee. Ze vinden het moeilijk om zichzelf te zijn. Hebben ze nooit geleerd. Het woord bestond zelfs niet. Ze hebben bovendien  het gevoel dat er altijd iemand voortdurend zit te oordelen. Dus ook hier kan je gevoel je bedriegen. Het gaat om je onderwerpen, doen wat geboden is, gehoorzamen nogmaals. En wat dacht u van het streven naar geluk? Geluk, zeggen we in de kerk, we bidden niet om geluk. Dat doe je in het spel en in de sport. In de kerk, als gelovige, vraag je om zegen. Het zijn, dat wil ik maar zeggen, elkaar bijtende werelden.

En zo maken we de verwarring alleen maar groter. Hoewel, is dat zo? Maak ik het voor u groter? Maak ik het voor u verwarrend? Tegelijkertijd kan ik het niet laten om het toch te benoemen. Ik kan wel trucjes verzinnen, maar dat doe ik niet. Dat is goedkoop en daar heeft u niets aan. Wij zijn aanwezig in een dienst waarin we met elkaar weer opnieuw verbonden raken, waarnaar allerlei mensen ook luisteren en hier aanwezig zijn die in hun eigen persoonlijke leven met spanningen geconfronteerd worden. En wij bevinden ons allemaal op de grens van een oude en nieuwe wereld. Het geldt zelfs wereldwijd. Mijn voorlopige soelaas is dat we het maar een tijd voor lief moeten nemen dat wij met onze oude christelijke taal niet zo goed uit de voeten kunnen. Dat hoort bij de overgang, zeg maar. Er komt wel weer wat nieuws. Maar nu werkt die oude dogmatiek niet. Allerlei taal lijkt uit een tijd waarin de schepen nog voeren met zielen en de mensen grotendeels slaaf waren. Het is zelfs zo. Een tijd ook waarin de hemel boven, de hel beneden en de aarde ertussen was. Het lijkt een groot naief schilderij. Mooi of lelijk, maar onwerkbaar. Nu moeten we het zien uit te houden. Dat gaat een keer voorbij. Ik ben overtuigd dat er al nieuwe taal aan het ontstaan is. Dat hoor je pas wanneer je de eerlijkheid opbrengt toe te geven dat de oude taal, hoe goed bedoeld ook, eigenlijk nergens meer op slaat.

Maar één ding blijft wel overeind. Zoals dat vaker overeind bleef als de tijden als aardschollen tegen elkaar aan het schuren waren. Het is zaak de navolging van Christus niet te vergeten. Daar heeft al die 20 eeuwen de kern van het christelijke geloof gezeten. Uiteindelijk zijn we in het volgen van deze vreemdeling op aarde die tegelijk vertrouwd was als geen ander, geborgen. Zeker ook geborgen bij datgene wat Jezus tevoorschijn roept en wat Hij van ons vraagt. Dat is niet de vraag van een bevelhebber, een autoriteit, maar het is de vraag van een uiterts zachtmoedig mens die zelf deed wat hij zei. U kunt zeggen dat het verhaal van Jezus ook al 20 eeuwen geleden is. Maar er is iets aan de hand. Zijn geest is er nog steeds. Als twee of drie mensen bij elkaar zijn, kan de geest van deze Christus zomaar bij hen aanwezig zijn. Dat wonder is het wonder waar de kerk uit leeft. Dat wonder is het mysterie waar wij persoonlijk naar mijn beleving uit leven. daar heb je niet zoveel woorden voor nodig. Dan kunnen we een heleboel niet weten over wie God is of hoe het zit met de hemel of hoe het zal gaan met de hel. De kern is wat wij van onszelf vinden als we ons gaan vergelijken met de Christus. Daar begint de ommekeer. Daar begint ook het inzicht dat eerst jezelf en vervolgens je omgeving gaat veranderen. Je gaat geloven in een kracht die jou te boven gaat, die jou confronteert met de dingen die jij niet goed doet. Jij bent niet alleen het volgzame schaap, tegelijk ben je ook de weerspannige bok. Het inzicht groeit dat het niet, zeker niet bij Jezus en diens volgers, gaat om wij en zij, jij en ik, maar om alles ineen. Die ander ben jijzelf. Wat je zegt over een ander, zegt alleen wat over jezelf. In wat je vraagt aan God, sluimert al het antwoord dat jij zelf kunt geven. Het conflict van het bestaan zit in onszelf, in onze eigen ziel, in ons persoonlijke leven. Dit is wat de Christus aanwijst en waarvan Hij ons juist wil bevrijden. Dat veronderstelt een nog sluimerende grootsheid die pas ontstaat door eenvoud, dat geeft een verbondenheid die juist ontstaat als mensen af durven zien van hun eigen ego. Dat is het wonder van de kerk, dat is het wonder van elke plek waar mensen in Gods naam bij elkaar komen. En dan moge het zo zijn dat we niet veel weten over de hemel, maar het is dan wel zo dat wij met elkaar bezig zijn met alles wat we in die hemel veronderstellen dat het er is: zachtmoedigheid, grote goedheid, vergevingsgezindheid, openheid, kortom: eeuwig leven.

Het zit in het christelijk geloof dat niet alleen twintig eeuwen geleden de hemel even open ging en er een stukje hemel op aarde ontstond, mensen werden daadwerkelijk genezen, doden kwamen zelfs uit het graf, kinderen en vrouwen kregen de zegen en hoorden erbij. Het gebeurt nog steeds, het kan nog steeds gebeuren als er mensen die zijn die aangestoken willen worden door die geest van Christus. En die mensen zijn er. Dat is waar de kerk op haar best op terugvalt. Als er veel is dat onduidelijk is bij jezelf, onduidelijk in de wereld, onduidelijk als het gaat om hoe dit allemaal te duiden, dan val je terug op de navolging van Christus en het je opgenomen voelen door Hem en zijn geest. Dat geeft veel ruimte bij jezelf en veel vertrouwen in de toekomst. Alles volgt dan wel, ook de juiste woorden om uit te drukken wara het om gaat, op aarde of in de hemel. En die hel, daar ben je ongemerkt al aan voorbij. Amen


 

Terug naar overzicht…