Toespraak

Door Ds. Aart Mak

Ook ik heb de afgelopen week nog weer eens gekeken en vooral geluisterd naar de grote toespraak van Martin Luther King. Vijftig jaar geleden, op 28 augustus 1963 hield hij de beroemdste speech uit de Amerikaanse naoorlogse geschiedenis. Tweehonderdduizend mensen waren erbij, miljoenen keken toe via de televisie. Het gebeurde allemaal, weloverwogen, voor het Lincoln Memorial in Washington. King was toen al beroemd dankzij zijn geweldloze verzet tegen de rassenscheiding in de Verenigde Staten. In 1955 en 1956 organiseerde hij een bus-boycot van de voor blanken bestemde stadsbussen in Montgomery. Dit deed hij naar aanleiding van de arrestatie van Rosa Parks, die had geweigerd haar plaats af te staan aan een blanke. Een jaar na zijn toespraak kreeg hij de Nobelprijs voor de Vrede. En in 1965 voerde president Johnson de wet in, die een groot gedeelte van de zwarte bevolking stemrecht gaf.

Ik vroeg mij af wat deze toespraak zo bijzonder maakte, toen al, en nog steeds maakt. De man was een begaafd spreker, dat blijkt uit alles. Maar het was ook het moment. King was omgeven door een immense massa die demonstratief een heel eind had gelopen en zich verzamelde bij het centrum van de politieke macht. King zelf: ‘We staan in de symbolische schaduw van een groot Amerikaan die er voor zorgde dat er hoop kwam voor miljoenen negerslaven die waren verschroeid in de vlammen van een verwelkend onrecht.’ Een barokke manier van spreken, dat blijkt gelijk al. Maar het is ook het gevoel voor geschiedenis. Hij roept het beeld op dat alles wat gebeurd was in het verleden uiteindelijk hiertoe, tot deze grootse bijeenkomst, moest leiden. En hij verbindt mensen met hun eigen geschiedenis, hun ouders, hun grootouders. King: ‘Honderd jaar na Lincoln moeten we het tragische feit onder ogen zien dat de neger nog steeds niet vrij is. Honderd jaar later wordt het leven van de neger nog altijd droevig beperkt door de handboeien van rassenscheiding en de ketenen van discriminatie. Honderd jaar later leeft de neger op een eenzaam eiland van armoede te midden van een grote oceaan van materiële welvaart.’

Het beeld is gezet. De tegenstelling benoemd, weer in barokke taal. Het gaat om de grote sociale ongelijkheid tussen blanken en zwarten. King: ‘Nu is het moment om uit de duistere en dorre vallei van rassenscheiding te trekken naar het zonovergoten pad van raciale gerechtigheid. Nu is het moment om alle kinderen van God een kans te geven. Nu is het moment om ons land uit het moeras te tillen van raciale ongerechtigheid op de solide rots van broederschap.’ Indrukwekkend vind ik hier en overal verder in zijn toespraak hoe Bijbeltaal – dorre vallei – en geloofswoorden – kinderen van God, broederschap - worden gebruikt om diepe en gevoelige lagen in mensen tevoorschijn te roepen. Ook hier krijgen mensen een identiteit die groter is dan ze zelf hadden gedacht. Ze nemen deel aan een heel oude geschiedenis, van uittocht, onderweg naar beloofd land, van onderweg zijn van het slavenbestaan naar het spelen voor Gods aangezicht. King gaat verder: ‘Negentien drieënzestig is geen einde maar een begin.’, zegt hij. Overal is er op dat moment verzet en onrust, weet hij. Maar – en daar komt zijn geweldloosheid tevoorschijn: ‘Tijdens het verkrijgen van onze rechtmatige plaats moeten we ons niet schuldig maken aan foute daden. We moeten er niet op uit zijn uit dorst voor vrijheid uit de beker van bitterheid en haat te drinken. We moeten onze strijd voeren vol waardigheid en discipline.’

Ik kan blijven citeren. Ik ben werkelijk opnieuw onder de indruk. En dan moet ik nog het achtvoudig herhaalde ‘I have a dream’ noemen. Dat is op het einde van deze ruim een kwartier durende toespraak. King: ‘We moeten ons niet overgeven aan wanhoop. Ik zeg u vandaag, mijn vrienden, dat ondanks de moeilijkheden en frustraties van nu, ik nog altijd een droom heb. Het is een droom die ferm geworteld zit in de Amerikaanse droom. Ik heb een droom dat op een dag dit land zal verrijzen en zal leven naar de ware betekenis van haar credo (..) dat alle mensen gelijk geschapen zijn.' En dan wordt de droom uitgewerkt, de beelden rollen over elkaar heen. Het is de herhaling, de cadans. Je hoort de toenemende instemming. Hier raken de mensen begeesterd, en dat is precies wat de spreker wil dat gebeurt. Ik laat even horen: geluidsfragment.

Zijn hele toespraak benoemt wat er op dat moment politiek en maatschappelijk aan de hand is, maar verwoordt vooral de gevoelens van al die diep vernederde mensen. Maar King geeft die mensen tegelijk een waardigheid die fenomenaal is. Bij hem mondt het uit in een droom die gebaseerd is op een oud geloof. Hij laat die droom opnieuw tot leven komen. Dit is Amerika op zijn best, het land van de Pilgrim Fathers en van de gospels. En toen vroeg ik mij af of iemand in Nederland ooit op zo’n zelfde manier had gesproken. Dat was ook in augustus en het was het jaar 1975. Het betrof Willem Aantjes in wat al gauw zijn Bergrede werd genoemd, hoewel het gaat om de werken der barmhartigheid, genoemd in Mattheus 25. Hij sprak op het eerste congres van het CDA. Bij mijn weten is daar geen geluidsopname van. Ik geef u enkele citaten door: ‘Het evangelie geeft geen rechtstreekse richtlijnen voor het politieke handelen, maar het geeft wel richtlijnen voor het rechtstreekse politieke handelen, en soms wel degelijk heel concreet. Leest u er Mattheüs 25 maar eens op na: hongerigen voeden, dorstigen te drinken geven, vreemdelingen huisvesten, naakten kleden, zieken en gevangenen bezoeken. (..) Intussen zijn wij 2000 jaar verder, en kijk eens om u heen!

De hongerigen worden niet gevoed; zij sterven als ratten langs de wegen van hun uitgedroogde landen. En als wij 1 procent van ons nationaal inkomen voor ontwikkelingssamenwerking uitgeven, hebben wij meer zorgen over de vraag of die ene procent wel goed wordt besteed, dan over de vraag of die 99 procent die wij voor onszelf reserveren wel goed wordt besteed. De dorstigen worden niet gelaafd. Zij worden aan hun lot overgelaten. En als wij ons aan ons televisietoestel volzuigen met het vergif van de consumptiereclame, dan zit ons de verhoging van de alcoholaccijns meer dwars dan de ellende van de dorstigen in de wereld. En de vreemdelingen worden niet gehuisvest. Zij worden gediscrimineerd en uitgewezen. (..)

En verderop: ‘Christelijke politiek wordt gekenmerkt door verantwoordelijkheid, dat wil zeggen dat je er weet van hebt verantwoording te moeten afleggen, antwoord te moeten geven. De eerste vraag, die aan een mens gesteld werd, luidde: ‘Adam, waar ben je?’ Dat is de vraag die ons gehele leven begeleidt, ook in de politiek, bij iedere beslissing telkens weer: mens, waar ben je? Waar sta je in de problemen van de wereld? Aan welke kant sta je? Die eerste vraag zal ook de laatste vraag zijn die ons zal worden gesteld en hij zal niet luiden: ‘Hoe goed heb je verdiend?’ - dat is de vraag die ons hier in de politiek te veel bezighoudt - maar: ‘Hoe goed heb je gediend?’’

Maakt u mij dus niet wijs dat wij hier in Nederland zoveel anders zijn dan de Amerikanen aan de andere kant van de grote plas. Bevlogen sprekers en bewogen toespraken, we kunnen er nooit te weinig van hebben…

Met muziek van Desplat en Lane/Vitarelli. Verder hoorde u ‘Glory, grory, hallelujah.’ Het gebed kwam uit de bundel ‘Zeggen en zwijgen, oecumenisch gebedenboek voor alledag’ van Marcel Barnard e.a..

Terug naar overzicht…