Gelukkig

Door Ds. Aart Mak

In Nederland behoren kinderen tot de gelukkigste van de hele wereld, volgens recent onderzoek. Andere onderzoeken wijzen uit dat de Nederlandse volwassenen die nogal eens mopperen en klagen, desgevraagd zich geen beter land om te wonen kunnen voorstellen dat dit land. De vraag is dan wat je bij de niet traditionele oude en nieuwe Nederlanders aanmoet met bijbelverhalen die grotendeels gaan over woestijn, ballingschap, kruis dragen en vervolgd worden omwille van je geloof. Zijn we, met andere woorden, in de Randstad die Nederland grotendeels is niet te gelukkig om nog iets aan te kunnen met het evangelie van ‘Jezus en die gekruisigd’, om het nu maar eens te zeggen zoals ik het vroeger zelf zo vaak in de kerk hoorde?

De vorige keren sprak ik op deze plek over de stad als nieuwe levensvorm en hoe het aloude christelijke geloof de neiging heeft zich vooral bij het dorp en een zekere beperktheid van kijken en denken thuis te voelen. Dat is overigens niet altijd zo geweest. Aan het begin van onze jaartelling was het zelfs omgekeerd. Het jonge christendom ontwikkelde zich juist in de steden van het Romeinse Rijk. Denk aan de brieven van Paulus: ze zijn alle gericht aan stadsbewoners, tot en met tenslotte de volgelingen van Jezus in de hoofdstad Rome. Dat is lang zo gebleven. Het woord ‘heiden’ waarmee christenen eeuwenlang ongelovigen opsierden, betekent van oudsher heel simpel: iemand die op de heide woont. Een plattelandsbewoner met andere woorden, een boertje van buuten zogezegd. Zo’n woord zegt iets over hoe het geloof zich eeuwenlang juist wél thuis voelde in de stad waar handel en bedrijvigheid en dus contact tussen mensen van allerlei kunne was.

In zijn inaugurele rede als bijzonder hoogleraar van grootstedelijke vraagstukken wees mijn beroemde familielid met dezelfde achternaam er ruim negen jaar geleden op dat ‘de stad bij uitstek de plaats is waar het tegengestelde zich concentreert: macht en rede, cultuur en barbarij, het goddelijke en het menselijke. Het is de klassieke plaats van de tempel, de markt, het kasteel, de rechtbank, de academie. In de stad wordt de beschaving gevormd en op de proef gesteld. Hier wordt alles wat mensen kunnen en weten omgezet in signalen, gedragspatronen, systemen van orde. Tegelijkertijd is de stad ook een ideaal instrument om het oog te verblinden, de geest te intimideren en het hart te misleiden.’ Inmiddels is dus de wereld door bedrijven als Philips, Microsoft en Apple in feite één grote stad geworden. Wij zijn op allerlei manieren met elkaar verbonden, zien bij elkaar de overeenkomsten en verschillen en zijn in staat met grote snelheid allerlei levensstijlen in één dag met elkaar te combineren. Hiermee vergeleken is godsdienst op het eerste gezicht iets van het platteland geworden. Klassiek geloof lijkt vooral te gedijen bij vaststaande verhoudingen en traditionele waarden. Conservatief geloof, zoals beoefend door de Taliban, de Amish en ook Staphorster varianten in Nederland, wil het liefst vasthouden aan hoe het in vroeger tijden op het platteland toeging en het ontleent daarvoor zijn regels aan de heilige boeken die in de woestijn of op de boerderij zijn ontstaan.

Maar de stad en de manier van leven die daarbij hoort hebben onze geestelijke huishouding inmiddels al vijftig jaar lang op haar kop gezet. Religie krijgt een heel andere rol. Denk voor het gemak even aan de migranten uit met name Afrika en de Cariben die in parkeergarages in Amsterdam Zuidoost samenkomen. Daar geeft godsdienst jou identiteit en je het gevoel in de vreemde toch bij een groep te horen. Voor de meeste autochtone Nederlanders ligt dat anders. Zij hoeven niet zo nodig meer om sociale redenen bij een kerk te horen. Als moderne stadsbewoners barsten zij van de sociale contacten. Zij horen al bij verschillende groepen, zij het vaak kort en voorbijgaand. Bovendien zijn stadsbewoners voortdurend in beweging, ook geestelijk. Veel dient zich aan, er is natuurlijk de waan van de dag maar ook het voortdurende gesprek op allerlei fora. De stadsbewoner legt zich het liefst niet vast en ontwikkelt, zoals een ander onderzoek weer liet zien, in toenemende mate zijn eigen rituelen bij geboorte, huwelijk en dood, vanouds de terreinen van de traditionele religies.

Als godsdienst zich in deze stad van kosmopolieten niet aanpast, is zij gedoemd te verdwijnen op een paar randgroepen na. We zullen, als we als christenen tenminste vinden dat we iets wezenlijks te melden hebben, een aantal ingrijpende stappen moeten doen, om te beginnen in ons denken. Het zou bijvoorbeeld goed zijn, zoals ik onlangs van hoogleraar Mechteld Jansen hoorde, te bedenken waar mensen tegenwoordig van gered moeten worden. Het geluk waar we ons allemaal in wentelen, is ook een veelvraat die veel mensen die het niet gehaald hebben, leeggezogen aan de kant van de weg achterlaat. Met andere woorden: wat is zonde en wat is bekering in de stad van de mens? Maar dan gaat het er ook om niet te praten over God als Iemand die iets van jou nodig heeft omdat Hij anders niet gelukkig is. We zullen als stadsbewoners God moeten aanvaarden als een geheim in ons hart dat we delen met talloze mensen van allerlei origine. Het gaat in de stad m.i. vooral om een spiritualiteit waarin we afgeleerd hebben om te oordelen. We kunnen het ons zelfs niet meer permitteren om elkaar in een soort groepsdenken met een eigen religieuze waarheid te bestrijden. Het wij- en zij-denken is dorps en achterhaald. Ik ken mensen die gedachten uit het Boeddhisme combineren met christen zijn. Ik geloof in een nieuwe spiritualiteit die ons leert geen onderscheid meer te maken tussen mannen en vrouwen, gelovigen en ongelovigen, tussen mensen die gered worden en die verloren gaan. Dat is allemaal achterhaald en ten diepste gewelddadig.

Ik geloof zelfs in een nieuwe spiritualiteit waarin we leren om God niet meer te zien als ‘de man in de hoge’ maar als een kracht in ons die ons bezielt goed te zijn en het goede te doen. Die God eist niets van ons, we hoeven dus ook niet te presteren. In mijn stad van de toekomst functioneert het geloof als verbeeldingskracht en tegelijk weten we heel goed dat het van ons eigen denken en doen afhangt. Wie God is zullen wij hier op aarde nooit kunnen weten. Geen synagoge, tempel, kerk of moskee kan beweren dat zij het weet. Maar we kunnen in de tijd dat wij hier op aarde leven, wel leren om het beste uit onze geestelijke reservoirs tevoorschijn te halen en de handen ineen te slaan. De kinderen van de steden van de toekomst zullen minstens tweetalig zijn. Wat zou het mooi zijn als ze op dezelfde manier van ons leren hoe in al die oude, dorpse religies behalve veel geweldsdenken ook grote wijsheden schuilgaan over hoe je op een niet-materiële manier gelukkig kunt zijn.

Met muziek van Grieg aan het begin (Holberg Suite) en Rachmaninoff aan het eind (einde 1e deel van zijn 2e pianoconcert). Verder hoorde u muziek Bach (BWV 884), gespeeld door Glenn Gould en gezang 28 uit het Liedboek, ‘Wij hebben een sterke stad’. . Gelezen werd uit Openbaring 21: 10 en 21: 21-23. Het gebed kwam uit de bundel ‘Bij gelegenheid (II)’ van Sytze de Vries.


 

Terug naar overzicht…