Juliana

Door Aart Mak

Afgelopen vrijdag verscheen een biografie met de titel Juliana. Vorstin in een mannenwereld, geschreven door Jolande Withuis. Al eerder, in 2014, schreef deze historisch sociologe over Juliana’s vergeten oorlog. Dat was in feite een soort voorpublicatie van het grote verhaal over Juliana dat nu is verschenen. In die voorpublicatie werd de lezer al op scherp gezet. Het beeld van de truien breiende en thee schenkende kroonprinses werd daarin al hardhandig vergruizeld. Juliana deed in de oorlog echt nog wel meer dan tweedehands spulletjes verkopen in de Rode Kruis-winkel en dansjes maken met de prinsesjes in de tuin, zoals propagandafilmpjes ons doen geloven. Ze was behalve een blije moeder evenzeer een politiek bewuste vrouw, die tientallen lezingen hield in Canada en de Verenigde Staten, en een vriendschap onderhield met Eleanor Roosevelt, de echtgenote van de Amerikaanse president. Ook in die voorpublicatie wordt het al duidelijk aan de hand van dat ene stuitende voorbeeld. Prinses Juliana gaat bij de Amerikaanse president op bezoek en Bernhard regelt het zo dat hij daar toevallig ook is. Later wordt in de pers geschreven over gesprekken die Bernhard met Roosevelt had gevoerd.

Nu dan is de grote biografie verschenen over deze bijzondere vrouw die van 1948 tot 1980 koningin der Nederlanden was. De schrijfster deed zes jaar over haar boek. Ze kreeg geen toegang tot het archief van het Koninklijk Huis. Ze kwam langs andere wegen aan haar materiaal. Zo lees ik over dochters van vriendinnen van Juliana die met allerlei correspondentie tevoorschijn kwamen. U weet inmiddels hoe de conclusies luiden van de journalisten die het boek al gelezen hebben. Juliana heeft een groot deel van haar leven eenzaamheid gekend. In haar huwbare leeftijd werd ze blijkbaar door diplomaten op een denigrerende wijze rondgedragen en aangeboden aan allerlei mannen. En de ene die het uiteindelijk werd, Bernhard van Lippe Biesterveld, ontpopte zich als een schuinsmarcheerder die zijn leven lang met minachting met zijn vrouw omging. Het zal maar over je gezegd worden. Je hele leven op straat. Iedereen mag meekijken. Wat moet dat zijn voor haar dochters en kleinkinderen. Juliana komt er goed van af, hoe in zekere zin tragisch haar leven ook was. Van Bernhard blijft niets heel. Dat wisten we natuurlijk al, mijn vader zei het al voordat de Lockheed-affaire nog maar speelde. Mijn schoonvader spelde later alles wat verscheen over Bernhard; hij behoorde tot die mensen die heel goed wisten dat het beeld van Bernhard, de grote held van de oorlog, niet klopte.

Maar dit boek onthult wel heel intieme details over het huwelijk van Juliana en Bernhard. Over hoe Bernhard tijdens zijn huwelijksreis al zijn ogen niet van andere vrouwen kon afhouden. En hoe hij gewend was zijn vrouw in willekeurig welk gezelschap te vernederen. En toen Juliana op het einde van haar leven - ze overleed in 2004 -, dement werd en liep te dwalen door Paleis Soestdijk, wilde hij haar eenvoudigweg niet meer zien. Het zal je man maar wezen. Interessant voor deze binnenkamer is wat Jolande Withuis opbiechtte toen ze een brief las die Juliana schreef toen het dochtertje van een vriendin in een vijver was verdronken. Juliana schrijft dan aan de moeder: ‘En wat is een kort en gelukkig leven een voorrecht voor haar, dat ze heeft boven ons.’ De schrijfster zegt geschrokken te zijn van deze blijmoedige benadering van de dood en zegt: “Wat een ingewikkeld persoon is Juliana toch, dacht ik dan.”

Alleen – en daar attendeerde iemand anders op – in de jaren dat Juliana dit briefje schreef, dacht vrijwel iedere gelovige er zo over. In 1951 geloofden hervormden en gereformeerden niet anders dan wat Juliana hier uitdrukt. Dat we daar nu anders over denken en dit nu een makkelijke en goedkope troost vinden, is iets anders. Maar toen niet. Juliana was een godsdienstige vrouw. Dat was duidelijk. En ook bij haar gold dat het mengsel eenzaamheid en verdriet een verlangen kan wakker maken dat iemand doet belanden bij een sekte, in haar geval die van Greet Hofmans. Ik heb altijd een zwak gehad voor Juliana. Misschien kwam dat door mijn moeder die niet moe werd haar empathie en gevoeligheid voor misstanden te prijzen. En als mijn vader dan op de achtergrond bromde dat zij die Bernhard de deur had moeten wijzen, was het voor mij al op jonge leeftijd duidelijk dat het koningshuis een niet aflatende bron van identificatie en rebellie was voor vrijwel elke Nederlander. Misschien is dat wel de beste reden om het te handhaven. In een Republiek weet je niet wat voor patjepeeër je nu weer als paleisbewoner krijgt. En de Oranjes hebben tenminste nauwelijks of geen politieke invloed. Ik heb daarom geen enkele neiging te morrelen aan hun inkomsten. Juliana verdiende een schijntje vergeleken met zij wat in haar leven moest doorstaan.

Terug naar overzicht…