Drama

Door Ds. Aart Mak

Het was een aantal jaren geleden. We hadden familiedag in de industriestad in het hart van Twente, het oosten van Nederland dus. Vroeger hadden mijn ouders daar jarenlang gewoond, in een groot huis, met alle zeven opgroeiende kinderen en drukte die daarbij hoort. Ik was  al jaren niet meer in Hengelo geweest. Een van mijn broers had me tevoren gewaarschuwd. Ik moest niet schrikken. Hij wist dat ik onmiddellijk zou gaan kijken naar de kerk die in 1963 was gebouwd, hoge ruimte, veel zitplaatsen, een overdaad aan bijzalen. Ik had daar jarenlang haast elke zondag het kleine Van Vulpenorgel bespeeld. Het was de kerk waar ‘s morgens twee diensten werden gehouden, een om negen uur, een om half elf. Vader preekte daar doorgaans en in mijn herinnering was de kerk in de jaren dat ik er woonde en regelmatig in het weekend terugkwam, altijd vol. Ik ging dus jaren later kijken en vond niets meer. Een stuk grond, met gras begroeid, omzoomd door Heras-hekken, wachtend op een volgende bestemming. De kerk was afgebroken, ‘aan het sterven prijs gegeven, gelijk het gras kortstondig haar leven. (psalm 103)’

Donderdagavond vond ik tijd om nog een uur de vergadering van de kerkelijke gemeente Bloemendaal / Overveen bij te wonen. De kerkenraad was daar bezig zijn besluit toe te lichten om de Vijverwegkerk los te laten en te kiezen voor de Dorpskerk in het centrum van Bloemendaal. De Overveense gemeenteleden kregen overigens ook de verdrietig stemmende boodschap dat hun kerkgebouw, vlakbij Elswout, niet in aanmerking kwam om de kerk van de toekomst te worden. U begrijpt dat dit besluit met allerlei grondige redenen omkleed was en dat iedereen op een enkeling na ook wel voelde dat zich hier ondanks de zakelijke en afgewogen argumentatie een klein drama voltrok. Ik moest, toen ik naar huis reed, denken aan wat nogal eens voorkomt in gezinnen. Vader en moeder worden ouder, maar bewonen nog steeds een groot huis. Dat huis was indertijd uitstekend geschikt voor alle kinderen, aanhang en de laatste jaren ook de binnenwaaiende kleinkinderen. Als iedereen er was, glorieerde het huis, iedereen had een plek, de keuken kon alle mee-eters makkelijk aan, op zolder was genoeg extra slaapplaats. Maar de ouders worden ouder en de vele kamers van het huis staan meestal leeg. Dat valt niet meer te onderhouden en waarom zou je ook? Dus wordt er gezocht naar een mooi appartement, gaat het grote huis in de verkoop en zoekt men voortaan een restaurant met speeltuin voor de hoogtijdagen dat alle kinderen en kleinkinderen bij elkaar zijn.

Alle mensen die ik ken kunnen met weemoed over hun ouderlijk huis spreken. En dat gebeurde ook op die gemeentevergadering. De weemoed om het kerkelijk huis dat voorbij is gegaan, was de toon die de muziek maakte. Iedereen voelde het aankomen. De kerk aan de Vijverweg, de radiokerk, was te groot geworden. Het onderhoud liet te wensen over. De ouderen konden in de leger wordende kerk niet meer zo goed verstaan wat gezegd werd. Op hoogtijdagen was het ouderwets goed bezet. Maar hoeveel van die dagen zijn er eigenlijk? Ik keek om me heen en zag goeddeels mensen van boven de zestig jaar, veel zelfs nog een stuk ouder. Zij markeerden met al hun inzet en goede wil het einde van een tijdperk. Ooit, halverwege de 19e eeuw hadden ze gezorgd voor een kerkelijke revival. De gereformeerden, die met name, zorgden voor kerken waar de generaties elkaar opvolgden, waar de kerken elke zondag vol zaten en waar gedoopte kinderen belijdenis deden en vervolgens hun verantwoordelijkheid namen voor de kerk en allerlei christelijk werk in de samenleving. Dat is voorbijgegaan. Dat tijdperk is ten einde. In elk gezin zijn de kinderen groot geworden, uitgevlogen en kozen ze voor een andere levensstijl dan hun ouders. En daardoor is het ouderlijk huis te groot geworden en te veel van het goede. De jas die vroeger zo goed paste, zit te ruim, is versleten en geeft geen warmte meer. Dan vallen, zoals je in haast alle protestantse gemeenten in Nederland kunt waarnemen, ook in Bloemendaal de kerkelijk gelovige mensen terug op een oude kerk. Zo’n kerk die er al een paar eeuwen staat en tot het cultuurgoed van dit land is gaan behoren. Zo’n kerk die stilte en inkeer uitademt, anders dan die kerk uit de jaren ’60 waar het bidden onmiddellijk gevolgd moest worden door het werken aan de wereld. 

Of die oude dorpskerk toekomstbestendig is, moet nog blijken. Het zal in elk geval over tien of twintig jaar nog steeds een plek zijn waar mensen een kaars aansteken, feest vieren bij een huwelijk of tranen plengen bij een uitvaart. Misschien keert die voor ouderen zo kerkelijk voelende gemeenschap, waar kinderen, jongeren, jongvolwassenen en ouderen elke zondag samenkomen, voorlopig niet terug. Kerk zijn is nu al en wordt nog meer een individuele bezigheid, net als radio luisteren. Je komt er voor jezelf, je luistert en je hoopt geraakt te worden, de kerk is als een benzinestation, je staat er even stil met je auto, je tankt, je betaalt en je rijdt weer verder . Daarom, vanwege dat individuele, kan de Dorpskerk ook een uitstekende radiokerk worden, zij het dat ik in elk geval het grote orgel, de vier evangelisten die altijd op mij neerkijken en het mooi licht dat binnenvalt, zal missen. Afstand doen en scheiden. En niet het snijden doet zo’n pijn, maar het binnenkort afgesneden zijn.

Maar dit is niet het enige. Bij een goed begin horen ook altijd het visioen en daarmee de hoop. Dat is deze, uit het laatste bijbelboek. Daarin wordt gedroomd van een God die woont temidden van de mensen. De stad van mensen heeft dan geen muren meer nodig en evenmin een gebouw waarin je doet aan godsdienstoefeningen. Mijn indruk is dat dit visioen in feite een herziening van de eigen realiteit is. Het gebouw van nu was in dit licht gezien, altijd bedoeld om iets anders, om het verlangen naar Gods aanwezigheid te voeden. En juist de moderne generaties, is mijn ervaring, hebben de kerkgebouwen verlaten, omdat ze daar niet vonden wat ze zelf, geëmancipeerd en mondig, zochten en verlangden. Er is veel godsbesef en vooral verlangen naar bevlogen uitingen van menselijkheid buiten de muren van de kerk. Het verdwijnen van een kerkgebouw is nog niet het zoekraken van heilige geest. Als ooit de dagen terugkeren dat jonge mensen weer behoefte hebben aan regelmatige, wekelijkse geloofsgemeenschap, anders dan nu het geval is, dan zullen ze ook weer, net als hun verre voorouders, manieren vinden om daar vorm aan te geven. Wie weet is die tijd dichterbij dan velen nu denken. Maar er komt pas zicht op wanneer je nu de pijn durft verdragen die hoort bij het loslaten van de plek die jou zelf zo vertrouwd is geworden. Die plek, dat gebouw, dat huis was, net als jijzelf, maar een tent, een tijdelijke verblijfplaats. Het beste moet nog komen, het ligt niet achter je maar voor je.

Met muziek van Desplat en Lane/Vitarelli. Verder hoorde u muziek van Michel Legrand en gezang 319. Gelezen werd uit Opnebaring 21: 22. Gebeden werd uit ‘Bij gelegenheid (II)’ van Sytze de Vries.

 

 


 

Terug naar overzicht…