Rododendron

Door Ds. Aart Mak

Karin van den Broek, de huidige voorzitter van de Protestantse Kerk in  Nederland, is van 1963. Koning Willem Alexander is van 1967. Zoveel schelen die niet in leeftijd. Beiden zijn mensen die in interviews al meer dan eens te kennen hebben gegeven dat ze in God geloven, maar dat dit niet gaat op de manier van vorige generaties. God is een verborgen kracht in je leven, een houvast in moeilijke tijden. Geloven is bovendien een zaak van vertrouwen en niet van bitterheid en cynisme. Hun uitspraken over hoe zij geloven lopen, als je dat nog eens naleest, vloeiend in elkaar over. Maar toch meende Karen te moeten opmerken dat haar koninklijke generatiegenoot de naam van God in zijn toespraken niet sterk naar voren laat komen en dat dit opvallend is.

Ze zei dit in een interview met de NRC en het was voor de insider duidelijk dat ze dit eigenlijk vooral zei namens de rechterflank van haar kerk die nog altijd graag in de drieslag ‘God, Nederland en Oranje’ gelooft. Daar is al enige tijd gemor dat de huidige koning wel erg weinig laat zien dat hij belijdend lid is van de protestantse kerk. Hij spreekt er sinds zijn inauguratie waarin hij nog zei: ‘Zo waar helpe mij God almachtig’ niet meer in het openbaar over en ook valt zijn aanwezigheid bij allerlei zondagse sportwedstrijden niet in goede aarde. Arme Karin. Er ontstond na dat interview enige commotie, irritatie en eigenlijk vooral verbazing en de PKN wist niet hoe gauw ze moest laten weten dat het niet als kritiek bedoeld was maar louter een waarneming was. Tja, jammer dan en een beetje onhandig.

Het was mij eerlijk gezegd niet opgevallen. Ik herinner mij de kersttoespraak van de nieuwe koning waarin hij opmerkte dat veel mensen inspiratie aan het kerstverhaal ontlenen en verder een toon aansloeg die mij wel beviel. Ik heb die toespraak er nog eens op nageslagen. Willem Alexander zei letterlijk in die toespraak: ‘Kerstmis is het feest van de verwachting van ‘vrede op aarde, in de mensen een welbehagen’.
Het zingen van die regels als uiting van een persoonlijk geloof, kan tegelijkertijd een gevoel van ongemak geven.
De wereld is zo groot.
 De problemen zijn zo wijdvertakt.
 Belangen zijn zo tegengesteld. En het leed dat mensen treft is vaak huiveringwekkend. (..) Het grote geheel lijkt zich aan onze invloed te onttrekken.
Dat kan een gevoel van machteloosheid oproepen. En toch…
En toch is ‘Vrede op aarde’ meer dan een onbereikbaar ideaal. Meer dan een ster aan de hemel. Vrede op aarde begint heel dichtbij. Thuis. In de straat. In de buurt. Op de club. In eigen dorp of stad. Ieder kan - op zijn of haar eigen manier - aan die vrede bijdragen door verbindingen te zoeken. Dat vraagt soms een beetje moed en zelfoverwinning. Soms moet weerstand worden overwonnen. Maar het overwinnen van weerstanden geeft meer voldoening dan willoos en doelloos meedrijven met de stroom.’

Ik vond toen al wat ik nog steeds vind: hier sprak een koning die authentiek is en zich zeer bewust is dat wat hij zegt verstaanbaar moet zijn voor alle inmiddels bijna al 17 miljoen Nederlanders. Juist Willem Alexander deed waar zijn moeder ook goed in was: tegenwicht bieden tegen wat de Franse denker Emmanuel Levinas ooit treffend de ‘egologie’ noemde. Dat is het idee dat alles – van waarheid tot kennis tot moraal – begint en eindigt in de mens zelf, zijn ‘ego’, zijn ‘ik’. Ik zou, als ik Karin van den Broeke was geweest, eerder iets voorzichtig kritisch gezegd hebben over de soms wel erg hoge uitgaven van de koninklijke familie, zoals pas weer bij de aankoop en beveiliging van een riant zomerhuis met bijbehorende grond in Griekenland dat in de miljoenen loopt. En dat er iets meer eenvoudige David en iets minder rijke Salomo in de Oranjes herkenbaar zou mogen zijn. Maar ja, over ego gesproken, als je nooit hardop mag zeggen wat je vindt en voortdurend in de gaten wordt gehouden, wil je waarschijnlijk op een andere manier graag je ik laten zien en horen, met snelle auto’s of kostbare boten. Ik kan dat niet goed beoordelen, zou er dus niets over zeggen en dat klusje graag aan onze vertegenwoordigers in de Tweede Kamer over laten.

Eigenlijk lijkt de kritiek van de voorzitter van de PKN nog het meest op waar de Bond tegen Vloeken al bijna een eeuw mee bezig is, de strijd tegen het misbruik van de naam van God. Deze door een harde kern van 20.000 vooral in de biblebelt wonende christenen gesteunde bond,  probeert al jaren het gebruik van krachttermen en het misbruiken van de naam van God (‘God, verdoe mij’) tegen te gaan. Ik begrijp die mensen wel en ik hou ook niet van al die woorden waarin de namen God en Jezus gedachteloos worden gebruikt en helemaal niet als dat gepaard gaat met agressie. Maar het is een achterhoedegevecht. Het is gerommel in de marge. Kreeg de Bond tegen Vloeken toen ze werd opgericht in 1916 nog de handen op elkaar en trok zij later in een show van Mies Bouwman veel aandacht door de opmerking van de heer Laarman om voortaan rododendron als scheldwoord te gebruiken, nu roepen hun affiches met de papegaai een op z’n best vertederende glimlach bij mij op.

Wij leven nu in een tijd waarin ik gruw van het geroep dat Allah groot is terwijl mensen de kogel krijgen of iemand de keel wordt doorgesneden. Laten we het in godsnaam niet over God hebben, denk ik dan en op heel veel andere momenten. Deze moderne tijd vraagt niet om uitspraken over God (‘Godtalk’) maar om taal die iedereen raakt, over alle grenzen heen, woorden geladen met humaniteit, mededogen, echtheid en verlangen naar recht. Veel mensen van de jonge generaties zijn daar allang mee bezig. We moeten het met elkaar niet hebben over geloof en over god – nu niet, voorlopig even niet -, maar over beschaving, over menselijkheid en wat ons met elkaar als mensheid verbindt. En toen las ik wat James Foley, de journalist die zo gruwelijk aan zijn eind kwam, als brief aan een medegevangene had gedicteerd. Die medegevangene die vrijgelaten zou worden, had de brief van Foley uit zijn hoofd moeten leren, want schrijven was onmogelijk. En wat zegt Foley dan in die gesproken brief? Ik citeer: ‘Dromen van mijn familie en vrienden nemen me mee en op die momenten vult geluk mijn hart. Ik weet dat jullie aan me denken en voor me bidden. En ik ben jullie zo dankbaar. Ik voel jullie allen, zeker als ik bid. Ik bid dat jullie sterk kunnen blijven, en kunnen blijven geloven. Ik heb daadwerkelijk het gevoel dat ik jullie aan kan raken, zelfs in deze duisternis, als ik bid.’

Foley dicteerde nog meer aan zijn medegevangene. Maar het gaat mij om deze passage waarin vier keer het woord ‘bidden’ wordt gebruikt. Deze uit het donker geboren zinnen zijn typerend voor de moderne tijd, zou ik willen zeggen tegen mijn collega Karin en de PKN waar ik ook bij hoor. Heel veel mensen weten als het erop aankomt, heus wel de dubbele bodem van dit bestaan te vinden, de dubbele bodem van de mystiek en het gebed, zonder dat je daar nu de naam van God bij hoeft te noemen…

Met muziek van Desplat en Lane/Vitarelli. Verder hoorde u muziek van Arvo Pärt en Stef Bos met ‘Ik heb je lief.’ Gelezen werd uit Mattheus 6: 5-6. Het gebed kwam uit de bundel ‘Zeggen en zwijgen, oecumenisch gebedenboek voor alledag’ van Marcel Barnard e.a.

 

 

Terug naar overzicht…