Ongelovigen

Door Aart Mak

De afgelopen week vielen mij zomaar tien vrije minuten in de schoot. Ik moest op een vroege ochtend op het mooie station van Haarlem zijn, in afwachting van de trein naar mijn bestemming. Omdat ik verder niets bij me had om mij te verstrooien, heb ik weer eens ouderwets en uitgebreid naar mensen gekeken. Mensen met soms de mooiste of wonderlijkste uitdossingen, slungelige scholieren en vitale zeventigers, Surinaamse mensen en mensen met Japanse ouders, lezende en telefonerende mensen, een stuk of wat conducteurs en vooral veel tamelijk ontspannen dertigers. Misschien kwam dat omdat het weer op die dag veelbelovend was, er nog geen overjassen nodig waren en bij misschien menigeen de vakantieweken of de vele vrije zomeravonden nagloeiden in hun binnenste. Ik had eerder die ochtend in de krant gelezen over de Belgische onderzoeker Alde'emeh die met al zijn contacten met Syrië-gangers voor het eerst bericht kreeg dat nu heel België tot doelwit verklaard werd. In een geluidsbestand klonk de stem van Abdellah Nouaman (20) uit Antwerpen, die in onmiskenbaar Vlaams liet weten: ‘Dit is geen bedreiging of dom gepraat. Dit is een oorlogsverklaring. Alles gaat de lucht in, in België. Bibliotheken, scholen, ziekenhuizen, winkelstraten, dancings... Alle plaatsen waar er ongelovigen zijn. Wij houden geen rekening meer met het gepraat over onschuldige slachtoffers. Alle ongelovigen worden vermoord.’ Dat was ingesproken. Vreselijk bericht waar je het koud van krijgt. En ik keek om mij heen en zag de mensen op die twee perrons. Er was dus iemand – en achter hem een hele  beweging – die al die mensen ongelovigen noemt en dat een reden vindt om hen te vermoorden.

Ik merk dat ik woedend word. Hoe haalt iemand het in zijn hoofd? We weten nog niet zeker of die man in de Thalys vrijdag een week geleden ook van plan was om zijn medepassagiers te vermoorden. Het is goddank niet gebeurd, maar het idee alleen al. Om anderen ongelovig te noemen en hen in koele bloede af te maken. Deze uitbundige wellust om anderen te doden beheerst al maanden het nieuws. En ik kan er maar niet aan wennen. Ik denk steeds maar: dit past niet in deze tijd. Dit is een misverstand. Dit hebben we ooit gehad, dit was verleden tijd! Maar het is nu, in mijn en uw tijd, en het houdt niet op. Het neemt zelfs toe, het  vermenigvuldigt zich als was het een virus. De daders bekommeren zich niet om vrouwen en kinderen, ze gebruiken zelfs kinderen om mensen op pleinen en markten weg te blazen uit het leven.

Ik kijk op dat station om mij heen en fantaseer dat al deze mensen vermoord, onthoofd of doodgeschoten worden, alleen omdat zij in de ogen van een gewelddadige islamitische sekte ongelovigen zijn. Ik herinner mij heel goed alle discussies in de vorige eeuw over geloof en ongeloof. Van nog vroeger ken ik de moeizaam verlopende uiteenzettingen over het ware en valse geloof. Maar dat waren gesprekken tussen christenen. Dat was domineespraat. Hoe naïef en wereldvreemd was dat, toen al. Daar liepen mensen ook ernstige schade door op, ik weet het. Lees Jan Siebelink en anderen. Maar dat was gedoe in de zandbak. Er vloeide geen bloed. Dat liet je een keer achter je. Je kon weglopen. Zoals er zovelen zijn weggelopen, weg van de benauwdheid van kerkelijke regels die onmenselijk uitpakten, zwangere vrouwen en hun a.s. man tot boetedoening dwingend, de benepenheid, de weigering om van het leven te genieten. Dat was toch heel wat anders dan dit uitbundige geweld, dit kritiekloze dwepen met het jihadisme, deze oorlogsverklaringen, nu zelfs ook aan België?

In mijn binnenkamer betrap ik mij op de neiging helemaal te willen stoppen met alles wat met geloof te maken heeft. Het woord is namelijk gekaapt door moorddadige schurken. Ik wil er niets meer mee te maken hebben, elk geloof is nu verdacht. Ik die al jaren zoek naar eigentijdse en vooral menswaardige manieren van geloven, sta alleen maar te roepen tegen de wind in. Al jaren! Stoppen dus. En toch doe ik het niet. Maar ik voel wel dat als er iets is dat mijn altijd wankelmoedige gedachten over God en geloof in een stroomversnelling brengt, het dit orgastische geweld in de naam van Allah is. Ik gruw er zo van dat ik van de weeromstuit ongelovig wil zijn. Alleen maar één met al die mensen op dat station op die vroege maandagmorgen in Haarlem. Om de dichter Lucebert te parafraseren: ‘In deze tijd heeft wat men altijd noemde / geloof geloof zijn gezicht verbrand / het troost niet meer de mensen / het troost de larven de reptielen de ratten / maar de mens verschrikt het / en treft hem met het besef / een broodkruimel te zijn op de rok van het universum.’

 

 

Terug naar overzicht…