Vasten

Door Ds. Aart Mak

De halve nacht wakker gelegen. Had ik maar niet ’s avonds van negen tot elf uur de belastingaangifte moeten doen. Ja, eind maart, zo gaat dat. Nu is het de laatste jaren gemakkelijker dan ooit geworden om je jaarlijkse belstingaanslag in te vullen. Het is digitaal geworden, allerlei gegevens staan er al in en sinds ik werknemer ben hoef ik niet meer zo ingewikkeld allerlei uitgaven van een quasi zelfstandige dominee bij elkaar op te tellen en in te voeren. Toch deed ik er langer over dan ik gewend ben. Ja wat wil ik ook, in 2013 getrouwd en een huis verkocht, daar moet wel even goed naar gekeken worden. De cijfers en allerlei vragen spookten blijkbaar nog lang in mijn hoofd door. Ik viel wel in slaap, maar werd na een drietal uren weer wakker om verder te gaan bij waar ik gestopt was toen ik in slaap viel. Ach ja.

Ik heb vannacht gevast, denk ik dan maar in deze tijd voor Pasen. Ik heb mij onthouden van enige uren slaap en dat is, als dat niet te vaak gebeurt, niet erg en niet schadelijk en soms zelfs enigszins verrijkend. Je wordt je weer eens bewust van de kostbaarheid van de slaap. Alles vergeten, over van alles dromen en wakker worden alsof het leven opnieuw begint. Zo is het in de praktijk vaak niet, zeker bij oudere mensen. Maar misschien zijn die inmiddels zo evenwichtig en rustig geworden dat ze met minder slaap toekunnen. De vraag is alleen wat je dan doet met die vrijkomende nachtelijke uren. Boeken lezen? Uitzending gemist kijken?

Ik dwaal af van waar ik het over wilde hebben. Het gaat mij om het vasten. Dat is een oude gewoonte, beginnend op Aswoensdag. Het komt in alle godsdiensten voor en draait altijd om het besef dat de geest weer baas moet worden over het lichaam. Het lichaam met zijn grijpgrage handen en kijkgrage ogen heeft namelijk altijd honger, dorst, zin in seks, polonaise en meer van dat soort zaken. Daar is niks mis mee, maar het kan wel afleiden van wat je echt wilt, helemaal als het een verslaving is geworden. Dan ben je niet meer de baas maar is de begeerte die bevredigd wil worden jouw baas en ben jij slechts de willoze dienaar. Vroeger thuis werd ik daar altijd voor gewaarschuwd. Geloven is baas zijn over je eigen leven. Mijn moeder zei dan dat wij niet aan vasten deden omdat wij gereformeerd waren en wij dat niet nodig hadden. Wij hadden een enigszins wereldmijdend geloof. We drinken immers ook geen alcohol, vulde mijn vader aan, mijn verbaasde blik over dat moeilijk woord ziende. Dat klopte. Mijn vader was zelfs voorzitter van de Gereformeerde Vereniging ter voorkoming en bestrijding van verslaafdheid aan alcohol en drugs. Dus brachten wij thuis onze feestdagen door met het consumeren van Fanta en Rivella. Enfin, als 12-jarige, de leeftijd dat je nog net geloofde wat je ouders zeiden, geloofde ik tot en met mijn pubertijd dat elk glas bier het begin was van de ellende die ik wel eens tegenkwam op straat, mannen die wankelden, stonken en een beetje langs je heen staarden.

Nu is vasten, merkwaardigerwijs, heel anders dan mijn moeder ooit had kunnen denken, inmiddels redelijk gemeengoed geworden onder protestanten, de opvolgers van wie eens gereformeerd, hervormd of lutheraan was. Ik zelf deelde op woensdag 5 maart het Askruisje uit, ergens in Haarlem en merkte toen op dat menig gelovige, ongeacht of hij zich nu wel of niet bij Rome thuis voelt, zich veertig dagen lang onthoudt van alcohol drinken of vlees eten of televisiekijken of Twitteren of Facebooken. Je kunt ook in die tijd van veertig dagen tot aan Pasen hetzelfde tot je nemen als altijd, maar meer geven aan een goed doel, elke dag een vast bedrag. Al dat soort zaken. Ieder doet dat op een eigen manier, is mijn ervaring. En sommigen doen er niets aan. In de huidige maatschappij zijn er meer mensen dan ooit die het hele jaar onvrijwillig moeten vasten. Leven met een uitkering, overleven na een faillissement. Er wordt al tijden gewaarschuwd voor de groter wordende tweedeling in onze maatschappij tussen mensen die hebben en diegenen die niets of te weinig hebben. Dat verhaal vertel ik nog wel eens een andere keer.

Wat ik nu met u wil delen, is wat ik twee weken geleden haast terloops in mijn betoog vermeldde in dit programma. Dat was slechts één zin die ik nu citeer: ‘Ik vind stiekem dat uitputting een statussymbool is en hanteer mijn productiviteit als maatstaf voor mijn eigenwaarde.’ Ik had die zin ergens gehoord, genoteerd en er eigenlijk nog niet eens zo goed over nagedacht. Maar ik ben er, merk ik, deze vastentijd meer dan ooit mee bezig. Het is een soort zelfonderzoek. Hoe vaak zeg ik niet tegen mensen dat ik het druk of zelfs te druk heb? Heel vaak. En of dat nu wel of niet zo is, het gaat erom dat ik het nogal belangrijk vind om dat te zeggen. Stel je voor dat ik het niet druk zou hebben! Mijn waarde zou toch onmiddellijk achteruit gaan. Misschien verlies ik wel mijn beursgenoteerde status! Ik ga toch niet zeggen dat ik maar 38 uur per week werk. Dat is beneden mijn stand en dat doe ik dus ook niet. Stel je voor dat ze zullen denken: wat een figuur, hij loopt de kantjes er vanaf en zal wel niet zo goed zijn in zijn werk. Dat soort gedachten. Liever uitgeput dan ontspannen, liever een bleke huidskleur die duidt op hard werken dan een zongebruind gezicht wat immers kan duiden op veel flierefluiten. Ik moet dus productief zijn, anders heb ik geen eigenwaarde meer. Goeie zin. Ik onderzoek dus mezelf. En ik vrees dat het waar is. Ik verzin het ene na het andere argument waarom er toch zoveel moet gebeuren, door mij dus en door niemand anders – ook dat nog - , en ik wil maar niet doorgronden dat ik via mijn verslaving aan werk eigenlijk verslaafd ben aan het oordeel van anderen over mij. Hier past dus het aloude vasten. Tijd van bezinning en de verslaving onder ogen te zien. In de spiegel kijken. Ik vast dus soms even van mijn werk en doe dan niets. Denk ik. Tot ze me thuis duidelijk maken dat ik in mijn gedachten waarschijnlijk toch weer aan het werk ben. Wie ben ik eigenlijk? Ik ben mijn beroep. En ik maar zoeken of er nog iemand woont in die beroepshouding.

Vandaag begint de zomertijd. De klok mag weer een uur vooruit worden gezet. Alsof we allemaal haast hebben en een sprint maken om een uur te winnen. Dat is allemaal niet zo erg. Ik houd wel van de zomertijd. Maar ook al springen we een uur vooruit, voorlopig is het nog geen Pasen. Na die halve nacht waar de cijfers van mijn belastingaanslag door mijn hoofd bleven spoken, ga ik maar door met mijn geestelijke vasten. Ontspannen is hard werken, met andere woorden. En hoewel ik geleerd heb naar mij ziel te luisteren als het om anderen gaat, moest ik dat ook maar meer doen als het om mezelf gaat, bedacht ik. De beste werkgever is je eigen ziel (Tuimeltekst). En die ziel heeft, dankzij de eigenaar van die ziel, nu eenmaal een andere opvatting over tijd en productiviteit dan mijn wakker liggende denkhoofd. Ach ja, wie gelooft, maakt het zich er niet gemakkelijker op. Tot je in de gaten krijgt dat je moeilijk doet, terwijl het zo gemakkelijk is. En dat noemen we nu genade…

Met muziek van Desplat en Lane/Vitarelli. Verder hoorde u muziek van Andriessen en het lied ‘Looft de Koning, heel mijn wezen’. Gelezen werd uit Prediker 1: 9 en 11. Het gebed kwam uit de bundel ‘Zeggen en zwijgen, oecumenisch gebedenboek voor alledag’ van Marcel Barnard e.a.

 

Terug naar overzicht…