Aangekleed

Door Aart Mak

Het was een van die warme dagen. Ik was bij haar op bezoek. Ze was gevallen, had haar heup gebroken en herstelde nu in de spiksplinternieuwe Jacobkliniek in Haarlem. Haar man was er ook. Die was er elke middag. Ja, ze waren al zo lang samen, daar dus ook. Toen ik na een uur praten afscheid nam en opstond, vroeg zij of ik niet vergat iets aan te trekken. Haar man en ik keken elkaar aan en we moesten allebei onbedaarlijk lachen. ‘Heb ik iets vreemds gezegd?’, vroeg ze. “Nou ja,” zei ik, ”je zegt het alsof ik in adamskostuum bij jullie ben geweest. En nee, om op je vraag in te gaan, ik heb geen overjas of iets anders bij me. Hier is het lekker koel maar buiten vallen de mussen van het dak.” Ik liep de gang op richting het ook na enig zoeken onvindbare trappenhuis en dacht nog wat verder na over wat voor een dominee gepaste kleding is. Daar had ik lang niet meer over nagedacht. In tegenstelling tot het verleden waar het me nog wel eens hoofdbrekens kostte.

Toen ik op mijn dertigste jaar begon als predikant, had ik geen donker colbertje en geen zwarte schoenen. Ik had van die mooie gele laarzen en ook zo’n gelig jasje toen ik op beroep preekte. Ja, ik ben een beetje kleurenblind, voor mij is iets gauw gelig of bruinig. Enfin, de Zaanse gemeente waar ik een paar maanden nadien terechtkwam, heeft gelukkig door die kledij heengekeken die duidelijk bij mijn jeugdwerktijd hoorde. Nog weer later vond een behulpzame schoonzuster een zwart kostuum dat me eigenlijk iets te krap zat. Dat kwam omdat zij het vond in een zak van Max of misschien was het wel zo’n zak voor het Leger des Heils. En nog weer later kreeg ik dan een toga, cadeau van mijn schoonfamilie. Op zondag was ik voortaan dus wel gedekt, maar door de week? Ja, wat draagt een dominee door de week? In diezelfde Zaanse gemeente wisten de ouderen zich nog goed dominee De Gier te herinneren. Die was daar in de jaren na de oorlog. In zwart jacquet liep hij dagelijks langs de huizen van zijn schapen, tikkend met zijn stok. Dat was toen al een archaïsche verschijning. In mijn tijd, ik begon in de jaren ’80, werd het normaal dat een dominee er vlot bij liep, al was het maar om tegenwicht te bieden aan het tobberige imago dat rond het ambt van predikant hing. Maar er zijn nu eenmaal momenten dat een voorganger er netjes moet uitzien. Toen viel mij regelmatig op dat hervormde collega’s daar veel meer gevoel voor hadden dan gereformeerden. De laatsten hadden, gemiddeld gesproken, laat door dat coltruien, spencers en sandalen echt niet meer konden als je bij een huwelijk of begrafenis het woord voerde of op een avond een aantal mensen moest toespreken.

Of ik niet vergat iets aan te trekken. Ja, wat draagt een dominee eigenlijk? Er is de laatste jaren een lichte trend om een boordje te dragen. Klaas van der Kamp, de secretaris van de Raad van Kerken Nederland doet het. En ik signaleer het ook bij zowel vrouwelijke als manlijke collega’s. Het is vergelijkbaar met wat de Anglicaanse geestelijken dragen, zo’n boordje dat alleen aan de voorkant van de kraag tevoorschijn komt. Waarom? Er is blijkbaar behoefte aan zichtbaarheid in de samenleving. Mensen op straat of waar dan ook, de samenleving dus, mogen best zien dat je geestelijke bent. En het kan ook handig zijn als er ergens iets gebeurt. Dan kun je hulp verlenen en snapt iedereen dat je van de geestelijke EHBO bent, zeg nu maar. Ik moet er vaak aan denken als ik bij mij in de buurt monseigneur Punt of een van zijn collega’s gehaast voorbij zie lopen om de trein verderop te halen. Zij zijn in hun kleding duidelijk zichtbaar als geestelijke. Met Romeins boord, zo’n cirkel wit rond je hals en nek. Zou ik het ook doen? Ik heb er ook wel eens aan gedacht. Maar mocht een luisteraar nu gaan rondzoeken in zo’n zak van Max of van het Leger des Heils, ik doe dat niet. Ik ben meer van het geloof dan van de kerk. Bovendien ben ik zo gesteld op het ambt van alle gelovigen dat ik elke suggestie van een priesterkaste zelf zou willen vermijden. Maar ik geef toe, als ik bisschop Tutu zie met zijn boordje, denk ik ook altijd: oh ja, dat is wel lekker duidelijk.

In mijn binnenkamer weet ik veel dingen nooit helemaal zeker. Er vinden daar voortdurend gesprekken plaats. Met alle twijfels die ik heb. Ik heb geen twijfel meer over wat ik zal aantrekken. Gelukkig heb ik inmiddels keuze genoeg. Ik heb eerder twijfel over mijn beroep, de kerk, de samenleving, de toekomst. Wat heb ik, wat hebben mensen vanuit die oude traditie eigenlijk te melden in deze per dag veranderende maatschappij? En hoe zullen we ons presenteren, ook aan dat verlammende antieke imago te ontkomen? Nou ja, dat is voor nu verder een te grote vraag. Ik denk nu weer aan wat die mij welbekende vrouw van het begin van dit verhaal opmerkte bij mijn afscheid: ‘Vergeet je niet iets aan te trekken?’ En dan aan die oude reclameleus. Laat het in mijn beroep maar gaan om ‘Liever naakt dan namaak.’

 

Terug naar overzicht…