Pelgrim

Door Ds. Aart Mak

De pelgrimage is in allerlei godsdiensten altijd een deel van het grote verhaal geweest. In de Islam behoort de pelgrimsreis naar Mekka tot één van de vijf zuilen. In het christendom is eeuwenlang de pelgrimage gebruikelijk geweest en gingen mensen de weg naar een heilig doel, Santiago de Compostella waar het graf van de apostel Jacobus zou zijn en naar vele andere plaatsen waar ooit iets was gebeurd. Meestal een wonder zijn. Een stenen Madonna bijvoorbeeld die echte tranen gehuild. Maria die verscheen aan het meisje Bernadette. Noem maar op. Zelfs de veel gesmade kruistochten begonnen als pelgrimsreizen. Omdat de tochten naar het heilige land en Jeruzalem speciaal dusdanig met gevaren waren omgeven, gingen er soldaten mee. Dat werden veroveringstochten, een strijd tegen bezetters en ook bewoners van het heilige land, islamieten en joden.

Maar het begon als pelgrimeren. Als mens ga je in een soort imitatie, een nabootsing, op weg om iets te bereiken. Misschien om iets van de geest van diegene die je aanbidt of bewondert te pakken te krijgen. Om met je leven op een hoger plan te komen, Om beter te beseffen wat de essentie is van het leven en jouw leven in het bijzonder. Nu kan, zoals altijd, dat mooie streven omslaan in iets donkers. In dat geval wordt het dan een prestatieslag. Dat is de reden dat eeuwen geleden, toen de Reformatie begon in Europa, mensen als Luther en Calvijn afscheid namen van de pelgrimstochten. Zij maakten korte metten met alles wat zweemde naar het verdienen van de  hemel, dus ook met de pelgrimages. Zij vonden dat een mens een wezen is dat afhankelijk is van de liefde uit de hoge. Zij ijkten dat met het woord genade. Daar hoorden geen goede werken bij, waar de toenmalige Middeleeuwse kerk bol van stond, denk aan de berichte aflaten. Officieel werd toen door protestanten de pelgrimage afgeschaft. Het merkwaardige is dat het toch doorging, maar dan vooral als iets innerlijks. Denk aan het boek van John Bunyan over de Christenreis. De mens is in dat boek onderweg en komt van alles tegen, gestalten, figuren, symbolen, deugden en ondeugden. Het is één en al strijd om steeds weer de goede keus te maken. Het beeld van de pelgrimsreis leeft blijkbaar diep in ons. Het hoort bij de oerbeelden van onze ziel. Het idee dat wij onderweg zijn of onderweg moeten gaan, zal nooit ophouden te bestaan. Ooit zullen we een keer aankomen. Hoe, waar, wanneer, niemand weet het. Maar het verlangen is groot. De bevlogen apostel Paulus heeft het dan over: ‘tot God zal zijn alles in allen’. Alles in allen, het einde van de levensreis, de definitieve aankomst, de finish.

In het boek dat wij elke zondag openslaan, staat ook steeds weer dat de mens onderweg is. Bij Abraham begint de beweging. Hij ging op reis en verliet zijn maagschap, zoals in de Statenvertaling staat. Daarmee liet hij los wat vertrouwd en wellicht ook dierbaar was geworden. Maar je mag aannemen dat hij thuis niet alleen rust maar ook onrust had ervaren. Dat is een motief om op reis te gaan. Onrust in je hart. De christelijke godsdienst begon met mensen die zichzelf ‘mensen van de weg’ noemden. De aanduiding ‘christenen’ is van later tijd. Die omschrijving ‘mensen van de weg’ vonkt. Het duidt op geestkracht, bezieling, innerlijk vuur van mensen die probeerden te leven in de geest van hun voorganger. Het leven zien als een voortdurende reis geeft behalve onrust en onzekerheid ook een ander gevoel. Het is de sensatie van de belangeloze liefde, vreemdelingen die vrienden worden onderweg, gastvrijheid ervaren, stuk zitten en vervolgens voelen gedragen te worden. Wie blijft zitten waar hij zit, blijft denken wat hij altijd gedacht had en blijft verdedigen waarin hij ooit stelling had genomen, komt voor mijn gevoel niet aan in het land waar je niets weet, niets meer zegt en je moet overgeven aan de ander, aan God zelf en ervaart dat het niet om hebben gaat maar om zijn:

Op school stonden ze op het bord geschreven.

Het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;

Hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,

De ene werklijkheid, de andre schijn.
(Ed. Hoornik)

Er is dat verhaal van een vader die twee zonen had. Van die twee zonen wordt gezegd dat de één zoveel onrust had dat hij weg wilde. Hij moest weg. Dan wordt verteld door de verhalenverteller, Jezus van Nazareth, dat dit hem ook gegund wordt. Van harte zelfs. ‘Ga dan en neem mee wat van mij is,’ zegt de vader. Dat betekent in dit verhaal: de erfenis, het verzilverde testament. Dan wordt in uiterst korte woorden beschreven dat hij door de wijde wereld trekt en veel meemaakt. Ongetwijfeld vreugde maar meer nog: verlies. Het is de weg van de mens. Tot hij in een geestelijke put aanlandt en  niet meer weet hoe verder te gaan. De weg lijkt ten einde en hij beseft nog maar één ding. Het schiet hem als bij genade te binnen. Het is het beeld van het huis van zijn vader en hij besluit om daarnaar terug te keren. Hij aarzelt en besluit dat hij zal vragen om niet meer zoon te hoeven zijn, Dat wil hij niet, hij schaamt zich daarvoor, dan maar knecht zijn. Een knecht in het huis van zijn vader heeft het altijd nog beter dan die vrije zelfstandige mens die hij nu is. Hij keert terug en het mooie van het verhaal is dat hij nog in gedachten verzonken op weg is en op botst tegen de vader die staat uit te kijken naar hem. De zoon wil zich in het stof hullen van schaamte maar de vader verwelkomt hem uitbundig. Hij heeft geen enkel woord van verwijt en zegt: ‘Feest zullen we vieren, uitbundig’.

Dit verhaal is naar mijn besef het verhaal van de mens die wij zijn. Wij kunnen ook niet anders. Thuis blijven zou ons niet veranderen. Thuis blijven kunnen we ook niet. Welk mensenkind kan langer dan negen maanden in de moederbuik blijven? Het is niet de bedoeling. Wij hebben te gaan op eigen benen. Zelf ademhalen met onze eigen longen. Alles mee te maken wat bij het leven hoort en wat ten diepste bij ons hoort om te worden wie wij zijn. In het verhaal speelt ook nog een oudste zoon een rol. Hij is de eeuwige thuisblijver, maar hij functioneert in feite alleen maar als een soort achtergrond, een decor, om de werkelijke mens naar voren te halen. Daarom begrijp ik die pelgrims. Ze doen iets wat wij allemaal doen. Reizen van A naar B. Leven tussen geboorte en dood. En je daar bewust van worden. Wie weet word je er wijzer van of vind je de enige kracht in je leven die ertoe doet.

Met muziek van Desplat en Lane/Vitarelli. Verder hoorde u muziek van Beethoven en ‘Abide with me’. Gelezen werd uit Lucas 15: 31-32. Het gebed kwam uit de bundel ‘Zeggen en zwijgen, oecumenisch gebedenboek voor alledag’ van Marcel Barnard e.a..


 

Terug naar overzicht…