Sterfelijkheid

Door Aart Mak

Een beauty! Toen niemand nog Engelse woorden door de Nederlandse taal wrikte, werd dat al gezegd en als vanzelfsprekend verstaan. Als de ene man tegen de andere zegt: let op, daar komt onze nieuwe collega aan, zij is echt wat je noemt een beauty, deed een stellig meer dan mooie vrouw haar intrede. Altijd wordt bij de nadering van zo’n Helena (de inzet van de Trojaanse oorlog) iets wakker in de man. Ik noem dat iets een heilige siddering. Want de aantrekking gaat gepaard met terughoudendheid. Als een godin herinnert zij je aan je sterfelijkheid. Je moet wel heel veel zelfvertrouwen of gebrek aan zelfkennis hebben om zo’n beeldschone vrouw het hof te durven maken. Maar je kunt tegelijkertijd je ogen niet van haar afhouden en wilt haar volgen waar zij ook gaat. Op zulke momenten begreep ik dat ware schoonheid door de oude Grieken werd gezien als een geschenk van de goden.

Wie noemden wij trouwens een beauty? Laat ik er twee noemen: Audrey Hepburn en Sophia Loren. Bestonden er ook mooie mannen? Ja, die noemen wij tegenwoordig hunks, ook al Engels. Denk aan Alain Delon en James Dean. John Kennedy, de frisse presidentskandidaat die in 1959 won van zijn lelijke en zwetende rivaal Richard Nixon, stond ook bekend als een mooie man. Daar staken de Nederlandse politici maar heel gewoontjes bij af. Dat waren oudere mannen die in de verste verte niet op jonge goden leken, eerder op huisvaders die ‘s avonds hun pantoffels maar wat graag aantrokken.

Maar wat maakt iemand meer dan mooi? Is het een perfect symmetrisch gezicht? Moeten mannen een tors hebben en vrouwen een mooie buste? Zijn het de lange benen of is het de mooie kaaklijn? Voor zover ik daar wel eens over nadenk, zoals nu hardop, meen ik dat het ook te maken heeft met lichtvoetigheid. Alsof zij nauwelijks de aarde raakt, zo elegant loopt zij. En hij glimlacht minzaam, met zo’n mooi licht gebogen hoofd en maakt alweer aanstalten om te gaan, naar hogere luchtlagen. De god of godin houdt maar even verblijf bij ons stervelingen.

Diezelfde Grieken hebben met hun beelden van Aphrodite en Apollo voor eens en al onze verwachtingen van schoonheid gevormd, in elk geval de mijne. Want ik raak dat idee van schoonheid nooit meer kwijt. Ik weet dat perfectie, ook op het vlak van schoonheid, niet bestaat, maar toch verbeeld ik me daar soms een glimp van op te vangen. Jonge mensen, vrouwen meestal, weerspiegelen die onbestaanbare volmaaktheid, het meest nog als zij zich zelf daar niet van bewust zijn. Ik ben nu toeschouwer waar ik vroeger nog deelnemer wilde zijn en soms was. Ik heb mijn lessen geleerd. Ik brandde mij aan die schoonheid, viel terug op aarde, moest mijzelf weer bijeenrapen en leerde maar niet mijn verlangen te doorzien en te beteugelen. Inmiddels wel. Maar nog kan het mij overvallen, die siddering, als ik op straat het tikken van hoge hakken hoor naderen.

Ik ben weer terug van vakantie en hervat mijn wekelijkse mijmeringen in dit programma dat De Binnenkamer heet. En waarom ik het over schoonheid heb? Omdat ik in Griekenland ben geweest. Dat is niet alleen het land van het ‘ochie’ of ‘nè’, het ‘nee’ of ‘ja’ tegen de knellende bezuinigingen, opgelegd door de Europese Unie, het is ook een bakermat van onze beschaving, een land waar ooit, een aantal eeuwen lang, de toon werd gezet voor wat pas veel later Europa zou worden. En ik heb het erover omdat ik de afgelopen week direct weer tot twee, drie keer toe werd geconfronteerd met de dood. Het hoort bij mijn werk en ik voer de gesprekken en leid de uitvaarten met liefde, maar het doet me wel wat. Ik voelde me weer ondergaan in een zee, zout van verdriet, een geloof dat kromtrekt door het kruis en een leven dat, als je niet uitkijkt, monotoon van ellende wordt, met alle dagelijkse, verontrustende berichten over hoe slecht het dan weer hier en dan weer daar gaat. Vandaar dus deze zomerse herinnering aan wat ook bestaat: de zinderende, haast onbestaanbare schoonheid die tegelijk zo raakt aan de sterfelijkheid.

 

 

 

 

Terug naar overzicht…