Ramp

Door Ds. Aart Mak

Ooit lag alles vast. We wisten wat we te doen hadden. In leven en sterven. We leenden onze taal en onze manieren van voorouders. We voelden ons veilig bij de herhaling van wat altijd al was. We leefden niet lang, maar dat wisten we. Alleen in de bijbel werden mensen 120 jaar of zelfs ouder. Vrouwen liepen grote risico’s bij zwangerschap en bevalling. Ouderen moesten sterven en kinderen konden sterven. Dat laatste was maar al te waar. Maar we waren wel ingebed in een grote ordening. De meeste mensen geloofden dat God alles beschikte. En, dat hoort daarbij, dat de mens slechts wikte. De dood was vreselijk. Zeker bij rampen op zee of epidemieën op het land. Gezwegen nog van de oorlogen. Maar de dood hoorde onlosmakelijk bij het leven. Denk aan de grafplaten in de vloer van de kerk, het kerkhof buiten de kerk, de spreuken over de vergankelijkheid, de talloze stoeten waarbij je stopte en met ontbloot hoofd stil bleef staan. Het dagelijkse leven was doortrokken van dood en doodgaan.

Wij wisten ook hoe daarmee om te gaan. Het leven moest in de schaduw staan van het sterven. Memento mori, gedenk te sterven! De wijsheid van de Prediker dat je niet weet wanneer de slechte dagen zullen komen, gold in verhevigde mate voor de dood. De dood kan elk moment bij iedereen inbreken. Weet dus dat je slechts stof bent. Men bereidde zich in vroeger dagen al op het sterven voor als men nog volop leefde. In de kerken stond de offerdood van Christus centraal. In de dagelijkse wijsheid het zorgen niet op te vallen en de overgave. Het sterven was omgeven met uitgebreide, dagen durende rituelen: het bidden, de klagers, de bedekking van de spiegels, de verduistering van het licht in de kamer en de rouwkleding. Men kende de laatste woorden. Men wist zich nog voor zijn sterven al opgenomen in de gemeenschap van mensen die voor Gods troon kwamen te staan. Het leven was genade en de dood gewoon.

Nu leven we allemaal grootser, langer en luxer. Het leven in dit deel van de wereld is voor de meeste mensen danig versierd en van scherpe randen ontdaan. De dood lijkt ver weg. We feesten er op los. We verschalken alle dood en verderf met onze levenslust en competities om de jongste en de mooiste te zijn. We weten hoe we grijs worden en groen blijven kunnen combineren. Tot het moment komt dat iemand dichtbij of jijzelf een jobstijding krijgt. Of wanneer de mondiale nieuwsgaring ons confronteert met tragedies als die verongelukte bus in Zwitserland of de aanslag op de joodse school in Toulouse. En er is geen school waar niet ooit een klasgenoot plotseling of lang verwacht overleed. De dood hoort nog steeds onlosmakelijk bij het leven. Maar wij zijn wel anders in het leven gaan staan.

De woorden en gebruiken van onze voorouders passen ons niet meer. Het dagelijkse leven en de verborgen filosofie daarachter zijn ingrijpend veranderd. Op allerlei manieren proberen we kort en bondig, functioneel en terzake te zijn. Het gaat er niet meer om of iets werkelijk bestaat maar of het werkt. We zijn te gehaast om te lang stil te staan bij iets of iemand. Er is ook zoveel. Er bestaat ook geen waarheid meer. Ieder heeft zijn eigen waarheid of zoekt zijn eigen wijsheid. We lijden ongemerkt onder het functionele denken. Alles, ook het geestelijke en spirituele aspect van het leven, moet ergens goed voor zijn. Er is ook zoveel. En in het vele gaat de zoektocht naar het ene of de Ene ten onder. Waarom zou je ook zoeken? Wat hoop je te vinden als je niet meer weet wat je zoekt?
Mondigheid en inventiviteit zetten als nooit tevoren de toon in de samenleving. Wij kunnen het zelf en wij doen het zelf.

En zo we allemaal selfmade mensen geworden. We denken vanuit ons zelf en we bekijken de wereld om ons heen vanuit ons zelf. Daarmee zijn we nog geen egoïstische mensen geworden. We kunnen ons alleen niet meer voorstellen dat er een groot en leidend principe aan dit alles ten grondslag ligt. En de meesten kunnen dus ook niet geloven dat er een persoonlijke God is die ons doen en laten kent en op zijn wijze de grote en kleine geschiedenis bijstuurt. Dan treffen de rampen die ons of onze medemensen overkomen, ons des te harder. Als we gewend zijn te heersen en te controleren, kunnen we niet hanteren wat zich onverhoeds en vol geweld aandient. De moderne maatschappij reageert daarom bij elke ramp met die overbekende reflex: nog meer controle, nog meer van te voren willen weten, nog meer veiligheidsmaatregelen. De grote bijeenkomsten in hallen en zalen rond een aantal kisten met overledenen zijn ontroerend. Net als bij de stille tochten blijkt dat moderne mensen uiterst waardig en stijlvol kunnen rouwen, met mooie muziek, indrukwekkende stiltes en tedere toespraken. Maar behalve de namen van de omgekomen kinderen, buschauffeurs en onderwijzer valt er geen andere naam. Een naam die je aanroept. Een naam bij wie je schuilt. Een naam die je herinnert aan een eeuwigheid die je omvat en die ook jou bergt in zijn vrede. Maar ik besef, als kind van deze tijd, hoeveel moderne bezwaren daaraan kleven en hoe onvoorstelbaar dat kan zijn.

Daarom helpt het mij altijd in het evangelie te lezen en te horen dat Jezus zwijgt. Geen weerwoord, wat er ook gezegd wordt, hoe ernstig de beschuldiging ook is. Daarin vertegenwoordigt hij mijns inziens ook de eeuwige God die zwijgt zolang mensen het hoogste woord voeren en hun gelijk willen halen. Het is een hoogstaande vorm van wachten. Wachten tot iedereen is geweest, er geen woorden meer zijn en mensen eindelijk tot zichzelf komen. Dat zwijgen van Jezus herinnert mij aan het eindeloze geduld van God. Daarom is geloven in de huidige moderne tijd, met al die selfmade mensen vooral een vorm van een geheim bewaren en weten dat ook een ramp niet het laatste is...

Met muziek van Grieg aan het begin (Holberg Suite) en Rachmaninoff aan het eind (einde 1e deel van zijn 2e pianoconcert). Verder hoorde u muziek van de componist Morini en het ‘Jezus zwijgt’ uit the Arabian Passion. Gelezen werd uit Matteüs 27: 12-14. Het gebed kwam uit de bundel ‘Zeggen en zwijgen, oecumenisch gebedenboek voor alledag’ van Marcel Barnard e.a..

Terug naar overzicht…