Huis

Door Aart Mak

In een van de nachten de afgelopen week droomde ik. Over een huis op palen. Het huis was niet oud, het was zelfs ultramodern. Ik woonde er en genoot van de ruimte van de in elkaar overlopende kamers, de hoeveelheid licht die naar binnen viel en de gerieflijkheid van het meubilair en de gebruiksvoorwerpen die zich in dat huis bevonden. Het voelde echt aan alsof het helemaal van mij was, het huis waar ik me volkomen thuis voelde. Maar er was iets dat stoorde. Het huis bevond zich ver boven de grond. Als je te dichtbij de rand kwam kon je zomaar eroverheen vallen, alsof er dan geen muur was, en uiterst pijnlijk meters laag op de aardbodem terecht komen. En in die droom was het dat ik me afvroeg hoe ik naar buiten moest en hoe ik, eenmaal buiten, naar boven kon gaan, het huis in. Het huis bevond zich daar ergens in de hoogte, meters boven mij – en waar was een trap of een lift? Hoe moest ik gasten ontvangen? Hoe kon ik in en uit lopen? Mijn huis, zo mooi, zo gerieflijk, zo veel zon en ruimte – maar het was niet bruikbaar. Eenmaal erin, kon je er niet uit. En eenmaal buiten, kon je er niet in. Raadselachtige droom…

Deze droom lijkt op een droom die ik al mijn leven lang droom. Met enige regelmaat keert hij terug in mijn binnenkamer met zijn droombeelden. Dan heb ik ergens een kamer waar alles is wat ik nodig heb om te leven. Ik kom er graag. Het klopt allemaal. Soms is die kamer klein als de kamer van een eerstejaarsstudent, soms is het als een huis zo groot. Maar er is iets en dat bepaalt alles. Het is de toegang. Die toegang is niet een normale voordeur of kamerdeur, maar een smalle spleet op vloerhoogte. Ik moet gaan liggen en mij ruggelings door die kier wurmen. In de kleine donkere ruimte waarin ik dan terecht kom, is het benauwd en moet ik nog een tijd gebukt voortschuifelen voor ik eindelijk licht zie en aankom in mijn huis of kamer. Deze benauwenis verdwijnt niet. Elke keer dat ik wil gaan of komen, moet ik als een scheepje door die ellendig duistere en benauwde sluis heen. Ik word in die dromen meestal kwaad maar weet dat ik machteloos ben; er valt niets aan te veranderen. Tja. U weet natuurlijk, evengoed als ik, hoe dat gaat met regelmatig terugkerende dromen. Je weet dat ze niet zomaar zijn maar een gecodeerde betekenis me zich meedragen. En natuurlijk heb ik al vaak bedacht dat het hier gaat om mijn levenshuis en dat ik daar net als iedereen pas kom na de benauwde ervaring van de geboorte. Je komt hier niet zomaar. En, eenmaal hier in dit leven aangekomen, kun je ook niet zomaar weer weglopen.

Ik voel me, zou je ook kunnen zeggen, thuis in deze wereld. Maar ik kan helaas niet zomaar heen en weer lopen, van een andere wereld naar deze wereld. En omgekeerd. Of, kun je ook interpreteren, ik weet dat er volmaaktheid bestaat, maar ik weet ook dat die onbereikbaar is. Weemoed en verlangen zijn mijn deel. Maar als je nu eens deze dromen verbindt met wat er vandaag aan de orde is? Ook daar is sprake van een huis, een gesloten huis. Ramen dicht, deuren op slot. Binnen zitten angstige mensen. Angstig vanwege wat er zich aan vijandschap bonkend op de deuren kan aandienen. Maar ook hopend dat er iets anders gaat gebeuren, iets dat beloofd is maar waarvan niemand zich een voorstelling kan maken. En dan gaat dat huis trillen op zijn grondvesten. Windvlagen wrikken de luiken open. Het zonlicht stroomt binnen. Er klinken even wat angstkreten. Maar dan stroomt er een golf van geluk door de aanwezigen heen. Van angstig wit weggetrokken mensen worden het stralende mensen. Alsof er een vuur in hun binnenste gaat branden. De stilte wordt verdreven door druk gepraat. Ieder lijkt zich hardop af te vragen wat er gaande is. De lucht vult zich met woorden. Is dit, zo vraag ik nu, een droom? Een diepe, collectieve ervaring van de volgelingen van Jezus? Ze weten dat het anders kan, maar ze zitten als aan de grond genageld. Angst beheerst hun leven. En dan gebeurt er iets. Als een godsgeschenk wordt hun gesloten huis geopend naar de wereld waarin ze leven. Het is haast te mooi om waar te zijn. En toch dringt zich aan mij op dat dit nu is waarover het gaat: er bestaat een kracht uit de hoge die ons wakker kust, onze depressie verjaagt en van deze angstaanjagende wereld een plaats om van te houden maakt. Ik aarzel, natuurlijk. Ik wil het niet te gauw te vroom maken. Ik ken mijn eigen dromen. Maar wie weet is Pinksteren ook wel een grote herinnering aan ons verlangen dat die twee werelden, van God en van mensen, zich wél met elkaar kunnen verbinden. En dat mensen als u en ik zonder enige moeite tussen die twee werelden heen en weer kunnen lopen…

Tekst: De Geest ontvangen wij om niet meer als slaven in angst te leven maar om Gods kinderen te zijn en daarmee weet te hebben van zowel het grote verdriet als het opperste geluk. (naar Romeinen 8: 15-17)

 

Terug naar overzicht…