Vak

Door Ds. Aart Mak

Het was eind vorig jaar. Ik word door een mij bekende uitvaartleider gebeld over een man die gaat sterven. ‘Hoe snel?’ vraag ik. ‘Morgen, als het even kan’, is het antwoord. ‘En waar hangt dat van af?’, vraag ik weer. ‘Of jij tijd kunt maken om het laatste sacrament toe te dienen.’ ‘Zo’, zeg ik, ‘morgen is snel, maar ik kan er om 11 uur zijn; zeg dat maar tegen de familie.’ Als ik dat zeg, is het denken bij mij al begonnen. ‘Is er eigenlijk familie?’, vraag ik. ‘Ja, twee dochters, geweldige vrouwen. Ze zijn al een tijd bij hun vader en ze voelen net als hij, dat zijn tijd is gekomen’, antwoordt de uitvaartleider. ‘En is hun vader nog aanspreekbaar?’ ‘Daar zorgen zij dan voor’, krijg ik ten antwoord. ‘Heb je nog gegevens nodig? Zal ik je meer vertellen?’ vraagt ze. Ik denk even na. Ik herinner mij de lessen van degenen die mij het vak hebben geleerd. Ik hoor in mijn hoofd wat mijn supervisor ooit zei. ‘Nee’, antwoord ik dan, ‘dit is voldoende, stuur me straks nog de namen toe, en natuurlijk het adres en een telefoonnummer. Als ik niks meer hoor, neem ik aan dat de afspraak is gemaakt.’

Een dag later was ik er. Ik had een kaars meegenomen, was nog naar een rooms-katholieke kerk om de hoek gefietst om wat gewijde olie in een flesje te doen en had een aantal teksten bij de hand om uit te spreken. Maar ik wilde die man en zijn dochters leren kennen, dat vooral. Ik kreeg wat ik hoopte. Ik had een goed en vertrouwelijk gesprek. Ik leerde de man kennen en begreep. Ik zag hoe zijn dochters met hun oude vader omgingen. En begreep. Een foto van zijn overleden vrouw, een zo te zien stralende verschijning, zetten we bij de kaars die ik aanstak. Ik las iets voor, een psalm, ik zei wat, uit mijn hoofd, oprapend wat ik gehoord had, ik zalfde zijn hoofd en zijn handen en bleef daarbij steeds in gesprek met deze drie mensen, de vader en zijn twee dochters. Toen ik gezegd en gedaan had wat moest, verstilden we alle vier. De kamer waarin we zaten, wat een tijd lang de enige plek die bestond. Ik nam afscheid van hem. Tegen zijn dochters zei ik tot ziens. Ik kreeg bij de deur een boekje mee. Degene om wie het draaide, had het nog niet zo lang geleden geschreven. Het mooi uitgegeven boekje, met foto’s en al, ging over zijn Brabantse komaf, zijn familie, de plaatsen waar hij had gewoond en gewerkt en over de mensen met wie hij altijd het liefst samen was geweest. Wat zijn sommige mensen toch zorgvuldig in het nalaten van hun leven en hun liefde voor het leven, dacht ik toen ik het later thuis las.

Die avond kwam de arts en ging zijn wens om te mogen sterven in vervulling. Hij was op, was erg benauwd en had veel pijn. De pijnstillers had hij eerder die dag gelaten om helder en betrokken de ziekenzalving te ontvangen. Ik kreeg het signaal dat hij in alle rust en vrede was gestorven. Vijf dagen later sprak ik opnieuw met de dochters, ter voorbereiding op de plechtigheid twee dagen later. En precies een week later vond de uitvaart plaats, met heel veel mensen, prachtige livemuziek en goede en empathische sprekers. Ik mocht die anderhalf uur durende ceremonie leiden. Alles ging haast als vanzelf, de structuur, de timing, wat ik wilde zeggen nadat iedereen gesproken had, inclusief de dochters. Mijn taak was eenheid en rust aan te brengen. De kracht van verbinding, zeggen we dan bij MomenTaal. Maar ook het onzegbare woorden te geven en het onmogelijke te verbeelden. En dat onmogelijk is mijns inziens dat er een eenheid bestaat tussen leven en dood en dat wat hier met ons gebeurt pas in een groter verband verhelderd zal worden en dat dit ongetwijfeld te maken heeft met een liefde die ons overstijgt en waar we tegelijk al van vervuld kunnen zijn. Woorden. Het is elke keer weer zoeken naar de juiste. Ik laat het meestal maar aankomen op met moment en daarmee op de Geest die het mij ingeeft.

Brengt mij terug bij wat mijn supervisor mij ooit leerde. Als je alleen het hoognodige weet van iemand, zal elke vraag een echte vraag zijn. Je controleert dan niet als je iets vraagt of het klopt met wat je al weet, zoals een politieman kan doen. Je wilt het echt weten. En wat wil ik dan weten? Waarin is mijn vak anders dan dat van anderen die noteren, registreren en organiseren? Ik hoor het mijn supervisor zeggen. Jij bent voor wat in geen paspoort of testament staat, zelfs niet zozeer niet voor wat er wordt gezegd maar ook voor hoe het wordt gezegd. Later heb ik dat in mijn binnenkamer opgeslagen onder het oude woord zielenherder. En leerde ik: jij bent er vooral voor wat niet wordt gezegd, uit schaamte, uit onmacht of uit eerbied. Ieder mens is een wereld op zich. En zoals de echte wereld, kent ook iedereen grote, vaak nauwelijks ontgonnen gebieden, kou en hitte, droogte en regen. Dat zijn weer mijn woorden, romantische ziel ik die ben. Maar waar het mij om gaat en waarom ik u dit vertel op een zondagmorgen in januari 2016, is omdat dit een ervaring is mij diep raakt en vervult zelfs. Ver voorbij allerlei kerkelijke en rituele gedoe, is dit het echte heilige, dat wat in deze moderne tijd nodig is en blijft. En dat is dat ik een mens recht doet, naar eer en geweten, zelf weer wetend van de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte van een liefde die mij en mijn kennis ver te boven gaat. Dat is mijn taak. En ja, ik heb een mooi vak. En ik had en heb goeie leermeesters…

 

Terug naar overzicht…