Ooghoogte

Door Ds. Aart Mak

Naast mijn bureau hangt, op ooghoogte, de nieuwe kalender van Oxfam Novib. U kent die kalenders wel denk ik, het zijn al jaren steeds weer dezelfde langwerpig brede kalenders met de mooiste foto’s. Deze maand kijken de ogen van een meisje mij aan. De tekst op de achterkant vermeldt dat het de dochter van een honingverzamelaar uit Bangla Desh is. Het is een prachtig meisje. Ik kijk naar een knopje in haar linker neusvleugel, een mooie doek, losjes gedrapeerd om haar hoofd en vooral naar haar ogen. De foto herinnert mij al bijna een maand lang eraan hoe veelzeggend ogen zijn. Ogen zouden de spiegels van de ziel zijn, zeggen we dan. En of je nu wel of niet in de ziel gelooft, ogen weerspiegelen klaarblijkelijk wat er in iemand omgaat. Angst verraadt zich in de ogen. Maar ook verlangen. Of naïviteit. Ogen die veel hebben gezien, lijken te weerspiegelen wat ze hebben gezien, weidse verten, eindeloos veel bladzijden van boeken, gruwelijkheden en momenten van groot geluk.

Het is niet altijd makkelijk om met mensen oogcontact te krijgen. Sommigen laten zich niet zien, ze kijken alle kanten op, behalve naar jouw kant. Of iemand kijkt voortdurend net naast je, links of rechts. Oogcontact maken kan ook eng zijn. Ik mijd het daarom wel eens, wetend dat het van alles kan oproepen. En soms moet het, heel bewust. Kijk me in de ogen. Laten we er niet met allerlei woorden omheen draaien. Wat is er nu echt aan de hand? Ik ben zelf ook een moeilijke met ogen, besef ik. Ik luister het liefst met de ogen dicht naar een toespraak. Ik word vaak zo afgeleid door wat ik zie, terwijl ik wil luisterne naar wat iemand zegt. Als ik zelf spreek en mensen aan wil kijken, kan ik zomaar mijn concentratie kwijt raken – zeker als ik uit mijn hoofd spreek. Ik doe dan wat met mijn ogen. Het gaat buiten mij om. Ik draai mijn ogen weg, ik sla ze neer, ik kijk net over de hoofden heen. Ik weet het. Soms wil ik anders en dan lukt het ook. Maar mensen kunnen mij zo onzeker maken. Dan kijken ze en dan zeg ik wat, we kijken elkaar even in de ogen – en ik denk: wie ben ik dat ik dit zeg? En zo, als wel vaker, betrap ik mij op allerlei vormen van verlegenheid die in mij rondzwerven. Ook dat gaat schuil achter de ogen blijkbaar.

Misschien dat volwassenen daarom zo graag naar kinderen kijken. De ogen van kleine kinderen zijn vaak ontwapenend. Je hoeft niets, je moet niets. De ogen van een kind spiegelen nog niet terug wat je niet wilt zien. Ze herinneren niet aan angst, aan schuld, tekortschieten, aan lamlendig en hopeloos leven. Ogen als de dragers van ongereptheid, de hele vroege ochtend, als het leven nog moet beginnen. Een enkele keer kom ik volwassenen tegen die zo kijken. Wat is hun geheim? Wat een overwinningen op zichzelf hebben die mensen behaald. Kun je ooit na alles wat je meemaakt weer terugkeren bij waar je ooit begon? Kan liefde uiteindelijk alles overwinnen aan gekwetstheid, bedreiging en boosheid? Via de ogen van dat meisje op de kalender keer ik terug bij mijzelf. Hoever ben ik? Wat heb ik inmiddels geleerd? Ik voel dat het goed is mijzelf opnieuw op die manier onder ogen te zien. Gekke uitdrukking toch, onder ogen zien….

Tekst: Ik sla mij ogen op en zie levensgroot en groter wat mij wacht. Bergen. Angst en moedeloosheid liggen op de loer. Er is zoveel dat mij te wachten staat, voor mij uit en om mij heen. Maar zou er geen hulp zijn, uit onverwachte hoek? Ik ben niet alleen. Vertrouwen! En ik zet de eerste stap... (naar psalm 121)

 

 

 

 

 

 

Terug naar overzicht…