Balling

Door Ds. Aart Mak

Deze zondag zullen in honderden protestantse kerken namen van overleden mensen worden genoemd, kaarsen worden aangestoken, vaak door nabestaanden en ook in gebeden worden stilgestaan bij al diegenen die gestorven zijn. Dat is gewoonte geworden op de laatste zondag van het jaar, een week voor we beginnen aan het kerkelijke nieuwjaar, Advent. Straks ook in de Dorpskerk in Bloemendaal en vanavond eveneens bij Kerk Zonder Grenzen. Maar dit weekend was ik ook op de begraafplaats van Heemstede. Een avond met licht en muziek, op de graven en in de aula. Ik mocht daar wat zeggen over de donkere dood en hoe we elkaar daarin enigszins kunnen verlichten. En die bijeenkomst op de prachtige door Zocher aangelegde dodentuin – ouderwets woord – aan de Herfstlaan, was toch echt voor iedereen bestemd en niet alleen voor mensen met een kerkelijk geloof. Er kwamen grotendeels mensen die daar regelmatig komen. Het hoort bij hun leven dat ze de tijd nemen om een graf te bezoeken en verzorgen. Ik begreep van de beheerders dat er heel wat mensen zijn die elke week komen, sommigen zelfs elke dag.

De laatste jaren worden zulke bijeenkomsten als in Heemstede in toenemende mate in dorpen en steden gehouden. Ik kom met name in deze maand allerlei berichten tegen over rouwbijeenkomsten en herinneringsceremonies, hoe ze ook mogen heten. Ook uitvaartondernemingen houden open dagen waar mensen de gelegenheid hebben te zien en horen wat er tegenwoordig gaande en mogelijk is. Bij de dood is iedereen toekomstig klant, nietwaar? Ook hieraan is weer te zien hoe de samenleving veranderd is. De kerken met hun gewoonten en riten verliezen al jaren terrein. Het is voor de meerderheid van de Nederlanders zelfs even ongebruikelijk geworden om naar een kerk te gaan als voor mij naar een casino. Maar wat gebeurt er? De leegte wordt gevuld. Mensen gaan zelf aan de slag. Uitvaartbedrijven doen veel meer dan alleen doden netjes begraven of cremeren. Ook burgerlijke overheden creëren gelegenheden als deze in Heemstede. En dan zijn er allerlei nieuwe beroepen, zoals ritueel- en rouwbegeleiders die mensen willen bijstaan in praktische en emotionele zaken rond de dood.

De afgelopen week was ik een avond in het Westland. In De Lier om precies te zijn. In dit seizoen ben ik elke week een avond op pad om ergens in het land te vertellen over een aspect van mijn werk of over wat mij bezig houdt en anderen blijkbaar graag willen horen. Zo ook hier. Ik was twintig minuten te laat vanwege een enorme file op de A4. Er gebeuren wat ongelukken onderweg trouwens. En dan merk je onmiddellijk hoe nauw alles luistert met al dat verkeer. Enfin. In De Lier waren ze keurig blijven wachten en toen ik binnenstapte, kon ik gelijk van acquit gaan in een met zo’n zestig mensen goed gevuld en behoorlijk warm zaaltje. Ik vertelde over de veranderingen in het geestelijk landschap van Nederland. Dat is niet zo moeilijk. Daar kan ik zo een half uur over praten. Maar ik merkte dat het woord balling bleef haken. Ik had namelijk opgemerkt dat er zoveel mensen in de leger wordende kerken rondlopen met heimwee. En dat die mensen nog het meest lijken op de ballingen die zich herinneren hoe het was om in Jeruzalem te wonen en dagelijks even de tempel binnen te lopen. Maar de stad ligt er als een bouwval bij en de tempel is niet meer. Wat doe je dan? En ik verwijs op zo’n moment naar de oude geschiedenis van het volk van Abraham die tegelijk van alle tijden is. Van de slavernij van Egypte naar woestijn en van woestijn naar beloofd land, van een land van overvloed maar ook in   verval naar ballingschap. En van terugkeer uit de vreemde ook weer naar verstrooiing en daarin weer tijden van assimilatie en van isolement. Kortom, er is zo veel om je als gewoon gelovig mens in te herkennen.

En daar zit ook de troost. Oudere kerkgangers zoals ik hen ook in De Lier grotendeels voor me zag, denken vaak dat Nederland altijd kerkelijk was en vergeten dat bijvoorbeeld in de 17e eeuw maar een fractie van de Amsterdammers de kerk wel eens van binnen zag. Met andere woorden: trap niet in de valkuil te denken dat het christelijk geloof pas wat voorstelt als het kerkelijk is. De inhoud dient zich op meer manieren aan dan alleen in die voor sommigen zo bekende vorm van de kerkelijke organisatie. Alle ouders van opgroeiende en inmiddels lang en breed volwassen kinderen weten dat. Die kinderen bezoeken niet of nauwelijks een kerkdienst. Daar kun je als een balling die weet hoe het vroeger was om treuren. Maar we zitten nu eenmaal in een, geestelijk gesproken, volkomen ander landschap. De meeste mensen willen op hun eigen benen staan, hun eigen weg gaan en kunnen dat ook. Een halve eeuw geleden had 80% van de Nederlanders nog alleen maar lagere school. Emancipatie, een betere opleiding, allerlei mogelijkheden om je leven vorm te geven, het hoort bij deze samenleving en gelukkig maar!

Christenen moeten dus leren praten over wat hen bezielt. Dat konden ze vroeger nauwelijks omdat dat ook niet hoefde. Nu wel. Want met elkaar – en dan kom ik weer op deze maand en hoe we op veel plaatsen stil staan bij de dood en de gestorvenen – hebben we woorden en gebaren nodig om te laten zien wat in ons omgaat. Oude en mooie verhalen. Rituelen waar mensen van allerlei slag zich in kunnen herkennen. Ik denk dat God zich niet zo druk maakt over de vraag of er wel genoeg mensen zijn die Hem eer bewijzen. Ook daar konden we vroeger, in de tijd van de tempel, flink bezorgd over zijn. En in plaats van vroom wijzen op Jezus kunnen we tegenwoordig beter in gesprek met anderen over de grote menselijke waarden waar het ook in de oude joodse en christelijke traditie over gaat. In de huidige maatschappij zie je de wal het schip al keren. Wij worden het zat om alleen maar te denken in productie en consumptie, in functioneringsgesprekken en intakeprocedures. Een mens is meer waard en het leven diepgaander en hoogstaander dan al dat oppervlakkige gedoe. Ook in die zin zijn sommige kerkgangers ballingen. Ze hebben niet zo zeer heimwee naar hoe het vroeger was. Ach, vroeger, toen was er ook van alles mis. Ze hebben eerder verlangen naar een samenleving waarin mensen geen nummers zijn, als vreemdeling welkom zijn en allerlei geschreeuw en ruwe omgangsvormen niet meer aan de orde zijn. Ook daarom zijn mensen bijna graag op begraafplaatsen. Om de stilte, de rust, het zonder rangen en standen samen zijn. En om de tijd die je daar krijgt om, dichtbij de doden, weer eens na te denken over het o zo kostbare leven.  

Met muziek van Desplat en Lane/Vitarelli. Verder hoorde muziek van Jenkins (uit zijn Requiem) en de melodie van ‘Wij moeten Gode zingen’. Gelezen werd uit 2 Korinte 5:1. Het gebed kwam uit de bundel ‘Zeggen en zwijgen, oecumenisch gebedenboek voor alledag’ van Marcel Barnard e.a.

Terug naar overzicht…