Nakomertje

Door Aart Mak

Te laat komen. Ik doe dat nog wel eens. Sommige mensen komen altijd te laat. Het lijkt wel alsof ze niet anders kunnen of dat ze te laat komen de ideale manier vinden om alle aandacht te krijgen. Ik heb er een hekel aan. Vind het ook niet aardig voor de gastheer of gastvrouw. Toen ik twee jaar lang ongeveer naast de theologische faculteit in Kampen woonde, aan het Muntplein bij de Bovenkerk, was ik bijna altijd de laatste die de collegezaal binnenliep. De luxe van dichtbij wonen maakt blijkbaar slordig. Maar hoewel ik er een hekel aan heb, kom ik toch nog wel eens te laat. Geliefde zegt dat dit komt omdat ik te veel wil op een dag. Ik ga van afspraak naar afspraak en omdat een gesprek wel eens uitloopt of het verkeer tegenzit, kom ik dus wel eens later dan ik had afgesproken. Beetje dom van mij, maar het blijft gebeuren. Waarom ik er dan toch zo’n hekel aan heb? Omdat ik elke schijn wil vermijden dat ik degene bij wie ik te laat kom liever had willen voorbijlopen. Te laat kan een teken zijn  dat je er eigenlijk geen zin in hebt. Je hebt er niet naar uitgekeken. Kijk maar eens wat je doet als je dochter haar diploma krijgt of je zoon trouwt of je eindelijk na honderd sollicitaties uitgenodigd wordt voor een gesprek. Dan zorg je wel dat je op tijd bent, ook al rijdt er een trein niet of staan alle stoplichten op rood.

Sommige mensen komen vanaf de eerste seconde dat ze ademhalen al te laat. Kunnen ze zelf niets aan doen. Dit zijn de nakomertjes. Het gezin was al voltooid maar dan is er na jaren ineens een verrassing, moeder is warempel weer zwanger. Als deze nakomertjes opgroeien, schelen ze soms wel tien jaar met het voorlaatste kind. Meestal wordt gezegd dat zulke laatstgeborenen in de watten gelegd worden en zoveel extra vaders en moeders hebben als ze broers en zussen boven zich hebben. Maar deze benjamins kunnen er ook onder lijden dat ze er nooit echt bijhoren, als het vijfde wiel aan de wagen worden gezien en hun leven lang oude ouders hebben. Vroeger, toen Nederland nog grotendeels een agrarische samenleving was, moesten de nakomers voor de ouders zorgen tot die gestorven waren. Dat betekende vaak dat een nakomer ongetrouwd bleef en zo in feite altijd als een vreemde eend in de bijt van het leven bleef rondzwemmen. In de samengestelde gezinnen van tegenwoordig is dat allemaal weer anders. Maar ook daar komt het voor dat een opgroeiende kind om zich heen kijkt en niemand van de eigen generatie aantreft. Je krijgt dan wel, als je een beetje geluk hebt,  een voorkeursbehandeling maar bij alles ben je wel steeds de laatste. Spuit elf geeft modder.

Ik had hem nog willen spreken. Desnoods alleen maar willen hóren spreken. Ik had er alles voor over gehad om helemaal op de achterste rij te zitten of tegen een muur gedrukt te staan, als ik maar zijn stem, zijn woordgebruik, zijn manier van kijken en praten zélf kon ondergaan. U moet weten, ik ben niet zo’n Draufgänger, zo’n haantje-de-voorste. Ik moet het altijd nog even aanzien. Inmiddels begrijp ik van mezelf waarom ik zo aarzelend ben, niet zo snel enthousiast. Als ik iets nieuws meemaak of iemand voor het eerst hoor, zijn mijn eerste gedachten altijd kritisch. Ik heb in mijn leven moeten vechten om daarin niet te verstarren, erdoor heen te breken, wél open te staan voor andere mensen, nieuwe gedachten te aanvaarden, verrassingen toe te laten. Maar die aarzeling is gebleven en ben ik nooit kwijtgeraakt. En daarom was ik te laat. Toen ik eindelijk zover was, was de vogel al gevlogen. Ten hemel opgevaren, zeiden ze. Ik kon me daar niets bij voorstellen, kritisch als ik toch nog steeds ben, maar ik begreep dat hij weg was, foetsie, van de aardbodem verdwenen. Het heeft mij de rest van mijn leven gespeten. Ik had zo graag het wonder aanschouwd, zélf de warmte van zijn vuur willen voelen. Maar het is zoals het is. Voor mij hield het leven zijn wonderen verborgen. Ik kan er naar hunkeren om het niet via-via, maar zelf rechtstreeks te horen, aangesproken te worden als eerste, omhelsd te worden als meest geliefde, vooraan te lopen als de meest enthousiaste. Begrijpt u? Dan zeggen ze wel dat de laatsten de eerste zullen zijn, maar ik moet dat nog steeds een keer meemaken.

‘Wat ik vertel, heb ik zelf ook horen vertellen. Ik voel mij de minste van allemaal. Eigenlijk ben ik de naam apostel niet waard. Ik heb immers de gemeente van God vervolgd. Maar ik ervaar het als genade dat ik ben wie ik ben en doe wat ik mag doen.’ (naar 1 Korinte 15: 3-9)

(Deze column werd eerder op 17 mei 2015 uitgesproken)

 

Terug naar overzicht…