Moderne tijd

Door Ds. Aart Mak

'Wij zijn aangetast door feiten, we calculeren als een koopman en zijn nuchter als een slager. We zijn niet langer onbezorgd - we zijn gruwelijk onverschillig. We zouden in het landschap van onze jeugd rondstappen, maar zouden we er ook leven? We zijn eenzaam als kinderen en ervaren als oude mensen, we zijn grof en somber en oppervlakkig - ik denk dat we verloren zijn.'

Deze woorden werden zo’n 85 jaar geleden opgeschreven door Erich Maria Lemarque. Hij schreef ze in een boek met de titel ‘Im Westen nichts Neues’, ‘Van het westelijk front geen nieuws’. Het boek was voor de twintigste-eeuwers de manier om te genezen van oorlogsromantiek. Alsof met elkaar vechten leuk zou zijn. De hoofdpersoon, Paul Baumer, spreekt bitter over hoe zijn generatie zich liet opjutten door hun vaders en hoe ze nu door de verschrikkingen van de oorlogen voorgoed verloren zijn. De oudere soldaten hebben tenminste nog een leven om naar terug te keren - een baan, een gezin - maar Baumer en zijn leeftijdsgenoten zullen zonder enige band de maatschappij weer betreden. Als ze het al overleven. Dat Baumers angsten gegrond zijn, blijkt als hij even op verlof mag. Hij kan aan niemand - zijn moeder, zijn zus, de stamgasten - vertellen hoe gruwelijk het aan het front is en herkent in zijn oude kamer niets meer terug van het 'elan van zijn jeugd.' Hij herleest oude schoolboeken en gedichten en voelt niets anders dan vervreemding. 'In deze kamer heb ik geleefd voordat ik soldaat werd.' Als Baumer terugkeert naar het front, denkt hij: 'Ik had nooit met verlof moeten gaan.' Terug in de loopgraven treft hij versterkingen aan, jongens van achttien jaar. 'Tegen één ervaren man sneuvelen er vijf tot tien rekruten.' En dan laat Remarque zijn personage het volgende denken: 'Hoe zinloos is alles wat ooit werd geschreven, gedaan, gedacht, als zoiets mogelijk is! Het moet allemaal gelogen en zonder belang zijn, wanneer eeuwenoude cultuur niet eens kan verhinderen dat deze stromen van bloed worden vergoten.'

Ik citeer deze klassieker niet zomaar vrij uitgebreid. Het boek gaat over de verschrikkingen in de Eerste Wereldoorlog, de Grote Oorlog die nu een eeuw geleden losbarstte. Maar zoals het past bij grote boeken, wat daar beschreven wordt gaat over veel meer. Ik moet ervan huiveren zelfs. Als hij schrijft over niet langer onbezorgd en gruwelijk onverschillig zijn, over mensen, aangetast door de feiten en calculerend als koopmannen, over jong volwassenen die eenzaam als kinderen en ervaren als oude mensen zijn, dan staat daar ineens ook de moderne mens van de eenentwintigste eeuw voor mij. Ik vraag mij de laatste jaren steeds vaker af wat er toch gebeurd is met ons. Het is zo sluipenderwijs gegaan. Ik onderzoek mijzelf en probeer te achterhalen of mijn veranderende gedachten ook te maken hebben met het natuurlijke proces van ouder worden. Ik geef tegenwicht en hoef daar niet eens zoveel moeite voor te doen, door blijdschap uit te stralen, optimistisch te zijn, dichtbij mijn kinderen en hun leeftijdgenoten te kruipen en met hen te kijken naar schoonheid, goedheid en waarachtigheid, de klassieke pijlers van het goede leven. Maar diep in mij sluimert ook dat andere, dat grauwe onderbuik gevoel dat er iets veranderd is om mij heen. Iets waar ik bij stond en wat ik nauwelijks zag gebeuren.

Altijd weer wordt de aanslag van 9/11 genoemd als moment van verandering. Of, nog eerder, de val van de muur. Misschien kun je ook de stormachtige ontwikkeling van internet aanwijzen als een van de oorzaken van die andere manier van mens-zijn en dus ook hoe je als mens zo anders in het leven bent gaan staan. Het woord postmodernisme valt en daarmee wordt vaak bedoeld dat de moderne mens niet meer een groot, samenhangend verhaal heeft waarmee hij de wereld kan duiden. Iedereen gaat, ook levensbeschouwelijk, zijn eigen weg, opportunistisch, met oog voor eigenbelang en eigen geluk. Ik weet het allemaal niet. Ik kan evengoed de zegeningen tellen van de moderne tijd en zeker van het land en het werelddeel waarin wij wonen. Al die voorzieningen, al die kansen om beter te worden waar je vroeger aan dood ging, meer en hogere opleidingen voor zoveel mensen die vroeger bleven steken bij de handenarbeid, vrouwen die geëmancipeerd zijn, homoseksualiteit die aanvaard is, relatief weinig corruptie, kritische journalisten, vrijheid van godsdienst, al die zaken.

Maar intussen worden wij overspoeld door de feiten, uit de Oekraïne op dit moment, uit Syrië, uit Soedan, uit Noord-Korea waarover een rapport bericht dat het daar even erg is als in de nazitijd in Duitsland. In Burundi, Afrika dus, zijn tientallen mensen omgekomen door noodweer. En behalve deze berichten die gaan over burgeroorlogen, een verschrikkelijk altijd met het woord stalinistisch aangeduid regiem en alles wat met de klimaatverandering te maken heeft, zijn er altijd maar weer die berichten over terreur, over mensen die zich opblazen in menigten en anderen de dood inslepen, over kinderen in Afghanistan die beschermd moeten worden tegen de dreiging van de Taliban en over de controles overal en altijd, ook nu weer op Schiphol, want er kunnen mensen zijn met bomschoenen en foute plannen.

Mijn vraag, in alle eerlijkheid en rust gesteld, is wat dit allemaal met ons doet. Wat gebeurt er met ons in deze wereld waarin we ons meer dan ooit bewust zijn van de broosheid van dit bestaan, hoe betrekkelijk veiligheid is en hoe ongelooflijk kwetsbaar deze aarde en al haar bewoners zijn? Een eeuw geleden lagen miljoenen jongens in loopgraven te wachten op hun dood of die van de soldaat tegenover zich. Erich Lemarque beschrijft wat er in het hoofd van de jongens die deze hel hebben overleefd, is gebeurd. De onverschilligheid, de eenzaamheid, de bitterheid. Wat moet er bij ons gebeuren om dat een eeuw later woekerende, haast vergelijkbare cynisme, boosheid ook, krampachtige zoeken naar eigen geluk, te keren? Ach, ik weet het antwoord. Doorgaan. Verhalen vertellen. Spelen met kinderen. Luisteren naar jonge mensen. Glimlachen en alles wat hoop geeft, aangrijpen. Zelf die hoop zijn. Ik zal u tenslotte iets anders vertellen. Wist u dat onderzoekers hebben ontdekt dat Indische olifanten elkaar troosten als ze van streek zijn? Ze raken elkaar aan, steken hun slurf in elkaars bek en maken geluiden. Ook spiegelen ze de lichaamshouding en de stemming van het getroffen dier. Het is het eerste empirische bewijs van troostgedrag in olifanten. Nu, als wij als mensen beweren hoger op de evolutionaire ladder te staan, moeten we dat maar waarmaken. Elkaar troosten als we van streek zijn. Daar is ook deze eerste dag van de week volgens een oude christelijke gewoonte voor bedoeld. Als teken van een altijd weer met verve en geloof omarmd goed begin…

Met muziek van Desplat en Lane/Vitarelli. Verder hoorde u muziek van Andriessen en ‘Morning has broken’. Gelezen werd uit Romeinen 8: 25-26. Het gebed kwam uit de bundel ‘Zeggen en zwijgen, oecumenisch gebedenboek voor alledag’ van Marcel Barnard e.a.

Terug naar overzicht…