Engel

Door Ds. Aart Mak

Engelen zijn nooit ver weg, je ziet ze op kerkhoven, op de kapitelen van Romaanse kerken, op schilderijen van Filippo Lippi, als beelden van Bernini, ze verschijnen in de woorden van Shakespeare en Dante. Voor Rilke zijn ze het stuifmeel der godheid; voor Nooteboom, die weleens in zijn dromen vliegt alsof hij bij een of andere engel op bezoek gaat, is het ‘om niet alleen op de wereld te zijn’. Zelfs een schrijver als Nikolaj Gogol geloofde dat de poëzie ontvlamt ‘aan het verdriet van een engel’. Wim Wenders maakte een film over die hemelse boodschappers, over de identiteitscrisis waarin twee engelen verkeren in de gedeelde stad Berlijn. Over engelen raken theologen en kunsthistorici nooit uitgepraat. Zo is het geslacht der engelen een nooit opgelost dilemma.

De engelmachten bevinden zich overal, in de bijbel, in de koran, in teksten van Benjamin of Thomas van Aquino - die door zijn tijdgenoten Doctor Angelicus werd genoemd. Er is ook veel over geschreven, over gevleugelde en vleugellamme herauten, over de hemelse trap en de hemelpoort, over de bedreigde soort en over het grote succes van de gevallen engel. In een wereld van snelle communicatie, internet en alles wat daarbij hoort, is het idee van de engel als boodschapper beter dan ooit. Je weet sneller dan de wind wat elders gebeurt. Je kunt aan onbekenden laten weten wat je denkt, alleen al door ‘Enter’ op je toetsenbord in te drukken.

De vraag is en blijft of wij de engelen hebben uitgevonden omdat wij wilden dat zij zouden bestaan of dat de engelen buiten ons om bestaan en behoren tot de grote schepping die voor ons grotendeels verborgen blijft. Wij kunnen als mensen heel veel uitvinden en doen alsof wij alles zelf hebben verzonnen. Maar wie heeft ons dan verzonnen? En wie zorgt ervoor dat wij sowieso op het idee komen dat er meer bestaat dan wij kunnen overzien? Zou dat echt allemaal alleen maar in ons hoofd zitten?

Geen mens weet hoe groot de wereld om hem heen is. Hij denkt het te weten. Dat hoort bij de mens: denken te weten. Denk aan de rups. De rups die het allemaal overleeft en zich op een gegeven ogenblik inwikkelt in een cocon, daar een tijd als voor dood blijft zitten, en tevoorschijn komt als een vlinder. Dit is ook een beeld voor de mens: wij gaan aan het eind van ons leven als het ware in een tunnel, we zijn als dood, en komen aan de andere kant van de tunnel als nieuw tevoorschijn.

Dit beeld werd iets gevarieerd ook gebruikt door de apostel Paulus die over veel zaken nadacht, ook over sterfelijkheid en eeuwigheid. Hij gebruikte het beeld van het lichaam als een aardse tent. Het lichaam is kwetsbaar, kan pijn hebben, kan gemarteld en vernietigd worden. En zo niet, dan gaat het lichaam toch een keer ten onder. In onze moderne tijd verzetten wij ons met onze lichaamscultuur tevergeefs. Niemand kan voorkomen dat een mens oud wordt en sterft. Het lichaam is niet meer dan een aardse tent, voorbijgaand. Dat aardse lichaam wordt afgebroken. En we krijgen iets nieuws van God. Wij kunnen daar niets aan toe of af doen. Het wordt ons aangereikt. We krijgen als het ware een nieuw kleed, een hemels lichaam. Als een vlinderkleed voor een rups. Het wordt daarmee een totaal andere wereld en toch ook weer dezelfde. Want wij zijn het zelf. We worden opnieuw bekleed. God zal dichterbij voelen dan ooit, Hij omgeeft ons, dicht op de huid. Zouden de engelen een herinnering zijn aan die andere wereld die allang bestaat en die ons te wachten staat? Engelen, de vlinders van God?

Er is zo’n verhaal, in het boek Handelingen: In de nacht voordat hij voorgeleid zou worden, lag Petrus te slapen tussen twee soldaten, aan wie hij met twee kettingen was vastgeketend. Ook voor de deur van de kerker stonden bewakers. Toen verscheen er plotseling een engel van de Heer en een stralend licht vulde de hele ruimte. De engel stootte Petrus aan om hem wakker te maken en zei: ‘Vlug, sta op.’ Meteen vielen de ketens van zijn handen. De engel zei tegen hem: ‘Doe je gordel om en trek je sandalen aan.’ Dat deed hij. Daarop zei de engel: ‘Sla je mantel om en volg mij.’ Petrus volgde de engel naar buiten, maar zonder te beseffen dat de dingen die de engel liet gebeuren werkelijk plaatsvonden; hij meende een visioen te zien. Toen ze de eerste en tweede wachtpost voorbij waren, kwamen ze bij de ijzeren poort die toegang gaf tot de stad. De poort ging vanzelf voor hen open, en toen ze buiten waren gekomen liepen ze nog één straat verder, waarna de engel Petrus opeens alleen achterliet.

Toen de monniken van Clonmacnoise, zo staat er
in de annalen, aan het bidden waren in het oratorium
verscheen er boven hen een schip in de lucht.

Erachter sleepte zich het anker zo diep voort
dat het aan het altaarhek bleef haken.
En toen, terwijl de grote romp
schokkend tot stilstand kwam,

gleed een bemanningslid langs het touw naar beneden
en rukte om het los te wrikken. Maar tevergeefs.
'Deze man kan ons leven hier niet verdragen

en verdrinkt’, zei de abt, 'tenzij we hem helpen.’
Dus hielpen ze hem, voer het bevrijde schip weg
en klom de man terug uit het wonderbaarlijke
zoals hij het gekend had.
   
(Seamus Heaney)

 

Terug naar overzicht…