As

Door Ds. Aart Mak

Gedenk, mens, dat je stof bent en tot stof zult wederkeren. Ik heb het op Aswoensdag de afgelopen week een aantal keren gezegd en daarbij met mijn rechterduim, gedoopt in vochtige as, een kruisje op voorhoofden getekend. Ook mij werd het aangedaan, as op mijn hoofd, door een ander. De asresten bleven nog een tijdje kleven aan een aantal huidcellen van mijn voorhoofd.  Ook mijn gedachten waren er nog niet gelijk klaar mee. As is het symbool van sterfelijkheid. En sterfelijkheid – gedenk mens dat je stof bent en tot stof zult wederkeren – leidt tot gedachten over de eigen dood. Een enkele keer ben ik wel eens aan het fantaseren over mijn levenseinde. Ik doe dat meestal onder druk, als ik iets vreemds voel in de streek rond mijn hart. Een soort kramp, een lichte steek, zoiets. Het komt zelden voor en ik heb geleerd dat een mens in dit opzicht net een machine is, er piept of kraakt altijd wel eens wat. Maar de gedachte aan doodgaan dringt zich dan altijd op. Zou dit mijn laatste dag zijn? Zou ik nu in elkaar zakken? Oh wat erg, dit is het dan, hier moet ik het mee doen. En het zweet breekt mij uit. Dit speelt zich allemaal af in 2 of 3 seconden. En dan is er koffie. Of gaat de telefoon. Of blaft de hond die mijn aandacht wil. Ja, ik ben dus sterfelijk. Maar niet in mijn hoofd, mijn gedachten houden erg van altijd en eeuwig.

Mijn ouders zijn nu ruim elf jaar en tien jaar geleden overleden. Ze zijn begraven waar ze de laatste jaren van hun leven hebben gewoond, in Barneveld. Ik kom daar eigenlijk nooit. Maar ik denk wel vaak aan hen, aan al die momenten toen ze nog leefden, ook aan hun laatste dagen. Ik denk zelfs soms even na over hoe het nu met hen is, begraven in de grond, hun vergankelijkheid. De sterfelijkheid van mensen van wie je gehouden hebt, bevreemdt mij elke keer opnieuw. Mijn schoonvader wilde dat zijn lichaam verbrand en uitgestrooid zou worden. Dat hebben we gedaan, nu bijna vijf jaar geleden, zijn as verstrooid, voorzichtig lopend op dat mooie ereveld in Loenen. Ik weet nog dat ik op dat moment onder de indruk en zelfs diep geroerd was. Dat wat over was van een mens werd heel bewust door ons, nabestaanden, teruggegeven aan die altijd aanwezige en altijd maar doorgaande natuur. Vuur verteert maar transformeert ook. Andere gedaante. Een begraven lichaam wordt opgenomen in de aarde maar blijft een herkenbaar lichaam, nog heel lang.

U begrijpt, de sterfelijkheid zit mij soms hoog. Een beetje filosoof zou zeggen dat sterfelijkheid het grootste geschenk is aan de mens. Want zo wordt jou tenminste een eeuwige eenzame opsluiting bespaard. Het leven is begrensd en daarmee gelukkig ook het lijden. Zo kun je denken. Maar ik ben geen filosoof maar een theoloog. Als de kikkers in de put kwaken dat je er maar het beste van moet maken, luister ik liever naar de leeuwerik die zingt van de blauwe hemel en eindeloze groene landschappen. Het leven mag dan soms als een out zijn, ik geloof ook in een hemel, een andere kant, hoe je het ook noemen wilt. Daarom beschouw ik de as niet alleen als een teken van sterfelijkheid – gedenk mens dat je stof bent en tot stof zult wederkeren - maar ook als een teken van verrijzenis. Er wordt iets nieuws geboren. Zoals de oude Grieken geloofden dat een vogel met de naam feniks telkens opnieuw uit de eigen as kon worden herboren, zo is de as ook het teken dat het oude voorbijgaat om plaats te maken voor het nieuwe. Sterven is niet erg, als je gelooft dat je zult leven, samen met al die mensen die met wat van hen over is, niet meer terug te vinden zijn hier al in dit aardrijk.

Tekst: Alles heeft zijn eigen tijd. Een mens is ook tijdelijk. Maar een mens kan weten dat er meer is dan tijd alleen. Er is ook besef van altijd, noem het eeuwigheid. Ook al begrijpt een mens daar weinig van (naar Prediker 3: 11)

Terug naar overzicht…