Oud

Door Aart Mak

De afgelopen week gaf ik mezelf tijdens één van mijn autoritten een denkopdracht. ‘Hoe keek je toen je jong was tegen ouderen aan?’ vroeg ik mijzelf. En daar kwamen de gedachten los. Jong is dus als kind op de lagere school en ook als brugklasser op de middelbare school. Om te beginnen waren het voor mij oude mensen. Het verzachtende woord ouderen kende ik niet. Oud was oud. Als kind had ik er geen idee van dat er een verschil is tussen 50 en 80 jaar. Oud is oud. Gefascineerd kon ik kijken naar de haren die uit de neus van een oude man tevoorschijn kropen. Van oude vrouwen herinner ik mij dat ze vaak naar groene zeep of boenwas roken. Dat waren de vrouwen die bij ons thuis over de vloer kwamen om de boel aan kant te maken als mijn moeder weer eens lag te kramen. Andere oude vrouwen roken vaak naar iets zoet wegs. Ik zie mijn overgrootmoeder uit Delft nog voor me. Als op een schilderij van Johan Vermeer zat ze in een donkere kamer met een streep licht die door de ramen naar binnen viel in een hoekje oud te wezen. Ze bewoog nauwelijks, ze zei niet veel. En ze was helemaal in het zwart gekleed. Zwart was toch de kleur van de ouderdom, herinner ik me. Ik heb dat zo vaak gezien, op het platteland en in de vissersstad waarin ik opgegroeide, dat ik nog in de lach kan schieten als ik nu iemand van tachtig vrolijk uitgedost voorbij zie fietsen. Hier klopt iets niet, zegt het kind in mij. En de oudere man die steeds meer ruimte in mij in beslag neemt, fluistert: ik hoop dat ik ook zo vrolijk en vitaal ben als ík tachtig ben.

Mijn opa was oud. Maar hij was niet kaal. En daarmee was hij in mijn kinderogen niet zo heel oud nog. Bovendien had hij vaak felle woordenwisselingen met zijn vrouw, mijn oma dus – en dat maakte hem ook minder oud. Echte oude mensen zeiden niet veel, was mijn ervaring. In die tijd waren oude mensen nog in de minderheid op zondagmorgen in de kerk. Ik kon dus eindeloos kijken naar sommige oude vrouwen die zaten te beven in de bank – een trilziekte zei mijn moeder, of naar oude mannen – mannetjes, zei mijn vader, die er eindeloos over deden voor ze schuifelend hun plek hadden bereikt. Ik was een kind dat overal aan rook. Als ik ergens binnen kwam, was het eerste dat ik deed: ruiken. En de huizen van oude mensen, tja, die roken ook anders. Een beetje bedompt. Niet altijd trouwens. Maar nu realiseer ik mij dat ik net als vele kinderen voortdurend mijn zintuigen wagenwijd open had staan om de mensen die ik tegenkwam in categorieën in te delen.

Waren mijn ouders oud? Nee, dat vond ik lange tijd niet. Ik stond als opgroeiende jongen regelmatig de foto’s van hun trouwdag te vergelijken met hoe ze er nu uitzagen. De uitslag viel heel lang gunstig uit. Mijn vader had het soms over een oude collega. Dat was een man met een randloze bril. Die was ook niet oud omdat hij zoveel bewoog als hij praatte. En mijnheer Dienske was ook niet oud, want hij liep vaak harder dan mijn broers en ik als we op een Hemelvaartsdag naar Maasland of over het toen nog mooie eiland Rozenburg wandelden. Oud zijn was in mijn ogen dus stil zitten, weinig zeggen en een beetje vreemd ruiken. En kaal zijn, dat ook. Kale mannen moesten wel oud zijn. Kom daar nu eens om. Het zijn totaal andere tijden, ook in dit opzicht. En, zoals dat altijd en met iedereen gaat, ik zelf ben richting ouderdom aan het bewegen. Het perspectief verandert. Dus stelde ik me een andere vraag: hoe kijk je nu tegen oud-zijn aan?

En dan besef ik dat ik inmiddels zo ben als de mensen naar wie ik vroeger met enige verbazing en soms afkeer keek. Ik doe wat die oude mensen toen deden. Veel praten, wel bewegen maar niet meer overal achteraan rennen, er netjes en soms deftig uitzien, met kleren die niet vies mogen worden. Ik rook trouwens niet, terwijl al die oude mannen vroeger aan sigaretten zogen of aan een pijp of dikke sigaar lurkten, dat dan weer wel. Maar ik eet niet meer zoveel en gehaast en wil niet meer zo snel van tafel af, als ik als kind deed. En daarin lijk ik weer wel op die oude mensen vroeger die aan tafel meer praatten dan dat ze aten. Maar dan moet ik nog iets zeggen – laat ik het niet vergeten: niet alleen mijn perspectief is veranderd maar ook de tijden zijn veranderd. Het lijkt wel alsof we collectief hebben afgesproken dat we de ouderdom zo lang mogelijk uitstellen, er met elkaar alles aan zullen doen om het jeugdige uiterlijk, de modieuze kleding, de frisse geuren en vooral het bezige bestaan zo lang mogelijk vol te houden. Want wie zegt dat hij het druk heeft, is blijkbaar nog niet oud. Dit zijn wat dit betreft mooie maar ook rare tijden. We worden met elkaar gemiddeld veel ouder dan ooit; er zijn steeds meer negentig- en zelfs honderdjarigen. Maar het is nog niet echt gaan dagen, althans bij mij niet, wat oud zijn echt is. Je kunt ook te lang doorgaan om met een kinderlijke blik naar je medemensen en naar jezelf te kijken. In mijn binnenkamer blijft mijn ziel maar eeuwig jong zitten wezen. Misschien moet ik het oud worden als een mooi doel gaan zien…

 

 

Terug naar overzicht…