Leven

Door Ds. Aart Mak

De dood wordt nogal eens vergeleken met een groot water, diep en breed. Het is een allang bekend beeld. De oude Grieken stelden zich dat water niet zo breed voor maar wel onbevaarbaar. Het was in hun ogen een rivier, de Lethe, waarover je alleen met de veerman, Charon, en wat tolgeld overgezet kon worden. De Kelten die woonden aan de randen van dit continent en hun leven lang de zon zagen ondergaan in het westen, ergens achter de watermassa’s van de oceaan, duwden hun doden in een schip die westelijke richting op, niet wetend of er een overzijde zou zijn. In andere beeldspraken wordt eveneens dat water genoemd, maar met een brug eroverheen. De dode moet die brug overgaan, alleen. Geen idee hoe diep het water eronder is, de overkant lijkt ver, zover het oog reikt is er mist. En de vraag klinkt om hem of haar zo lang mogelijk na te zwaaien. ‘Stuur woorden als vogels achter me aan, ja ook schreeuwvogels van verdriet – en zing voor me, zing, het hoogste lied.’ dicht Jaap Zijlstra ergens.

Als in het heilige joodse en christelijke boek wordt gesproken over het sterven en de dood, gaat het in vergelijkbare beeldspraak. Toen de oude Mozes van verre het beloofde land mocht aanschouwen maar niet bij leven betreden, pakken latere dichters als Isaac Watts dat beeld op en werken het uit tot ‘een land van louter licht waar heiligen heersers zijn. Nooit gaat de gouden dag daar dicht in duisternis of pijn.’ Het zijn duizelingwekkende beelden, die ook vaak worden toegedicht aan het nieuwe Jeruzalem. Maar altijd is er een kloof, uiteraard: die eeuwige en onontkoombare dood. En daarom ‘blijven stervelingen huiverend terzijde staan, ze durven niet op weg te gaan, het duister niet voorbij.’ Ik citeer nogmaals de door Schulte Nordholt vertaalde tekst van Watts. Vandaag betreuren wij alom in de maatschappelijk niet meer zo hoog gewaardeerde (protestantse) kerken onze doden. We steken kaarsen aan. We noemen hun namen, hardop, en plein public. Er is even gedeelde warmte. Geen mens of hij weet hiervan, van het verdriet om die ander, van zijn eigen angst voor de dood. We delen. En dan gaat dat moment ook weer voorbij. We blijven achter als de Emmaüsgangers, die tenslotte met bedrukt gelaat huiswaarts keren, elkaar vertellen over hoe het was, maar ook hoe al hun hoop de bodem is ingeslagen. Het leven, hoe onvervaard en romantisch ook geleefd, hoe vol vuur en hartstocht aan recht en waarheid ook besteed, eindigt altijd bij die eeuwige duisternis die als een alles verslindende zwarte mist om ons heen blijft, welke richting we ook oplopen.

Van de weeromstuit storten de meesten zich op het leven met een overgave die verdacht veel lijkt op verdringing. Wie nergens van wil weten, put zich uit in levensdrift en wil alles zien en meemaken. Alles moet vooruitgang zijn, achteruitgang is in die opvatting het lot van mensen die niet goed opletten. Recessie is altijd de schuld van anderen en een crisis is natuurlijk bij voorbaat een kans. En zo trompetteren we elkaar in de moderne tijd doof. Dat geldt niet voor iedereen. In de maand van de spiritualiteit en van oudsher in de geloofsgemeenschappen wordt tegenwicht geboden aan die overdaad aan levenslust. Maar de hoofdstroom in de moderne samenleving wordt nog steeds gevormd door de schroom en zelfs de afweer om leven en dood op elkaar af te stemmen. Ook een kerk die blijft verordineren dat leven van God gegeven is en dat mensen bij de grenzen van geboorte en dood nergens mogen ingrijpen, versterkt in feite het onvermogen van de moderne maatschappij om de dood een plek te geven. Het punt is namelijk dat het leven lang niet altijd is wat het kan of zou moeten zijn. De bijbelse Job was niet de enige die zijn geboortedag vervloekte. Wij weten nog steeds geen raad met de diepe depressies die sommige medemensen in hun greep houden en elke smaak voor leven ontnemen. Tegelijk kunnen mensen, zonder depressief te zijn, ook lijden aan het leven. In Nederland is vergeleken met veel buitenland een mild klimaat als het gaat om euthanasie. Maar ook in dit land zijn we nog steeds beducht om mensen zelf stem te geven in het beëindigen van hun leven als zij vinden dat het nu wel genoeg is geweest. Kwaliteit van leven is nu eenmaal niet objectief vast te stellen. En niet iedereen is als de bijbelse koning Hizkia die na de bittere tranen die hij stort bij het bericht van zijn naderende dood, alsnog, als was het een wonder, tijd van leven krijgt.

In een tijd waarin we veel mensen bij gebrek aan geloof in God of een goddelijke realiteit, zeggen dat ze waarden en normen zo belangrijk vinden, zou er meer gesproken moeten worden over wat het leven waarde en waardigheid geeft. Natuurlijk moet ik dan denken aan de beroemde dichtregel van Lucebert: ‘Alles van waarde is weerloos.’ Maar wat het leven waardigheid verleent is niet alleen dat. Ik las de afgelopen week in het boek Oorlogsvlieger van Antoine  de Saint-Exupéry. Dat is de schrijver van het beroemde boekje Le Petit Prince, de Kleine Prins. Deze man schreef niet alleen, hij vloog ook. En na de nederlaag van Frankrijk in 1940 schrijft hij zijn boek met de ervaring die hij had vanuit zijn eenzame, hoge positie in de lucht. Het gaat over het leven, over het menszijn en over wat je kunt winnen dan wel verliezen. In zijn ogen gaat beschaving over bezieling. En dat is wat hij bij nader inzien miste in de gezapige, op genoegens gerichte samenleving van zijn dagen. De Saint-Exupéry mijmert over verantwoordelijkheid en de opbouw van de menselijke gemeenschap. Hij merkt dat hij, tot zijn verrassing, in staat was zichzelf, zijn individu zijn, te overstijgen. Hij werd mens. Zo noemt hij dat. Een mens is iemand die zich inzet voor zijn kameraden, die mede architect wil zijn van een samenleving en niet alleen de vruchten wil plukken. Een mens is iemand die andere mensen als een verrijking ervaart en die, als het erop aankomt, zijn leven geeft omdat hij weet voor welke hoogstaande beschaving hij vecht. Hij komt, schrijft hij ergens, los van de gedachte dat hij individu is. Hij beseft dat hij een van de stenen is die samen de kathedraal vormen en dat het om dat grote geheel gaat. In dat verhaal past ook het woord offer. Het boek eindigt in een zeldzaam mooi pleidooi voor het ware humanisme. En ik als christen herken alles. Ik begrijp beter dan ooit dat mijn traditie dit bedoelt te zeggen over de mens en de waarde van het leven.

Net als deze man, die op 31 juli 1944 niet meer terugkeerde van een verkenningsvlucht - zijn P-38 Lightning werd neerschoten door een Duitse jager, zouden wij allemaal de moeite moeten nemen het leven en de dood te zien vanuit een hoog perspectief. Wie sterft mag hopen te hebben bijgedragen aan een stijl van leven die mensen verenigt in plaats van uiteendrijft. Alles waarover het oude en wijze boek spreekt, kan vorm krijgen in één mensenleven. En de drager daarvan die dat beseft, gaat zich eerst aarzelend maar later vastberaden minder vastklampen aan alles waar zijn hongerige ik naar verlang en wat zijn angstige ik buiten de deur houdt. Díe doodsstrijd bij het leven hoeft niet meer gevoerd te worden.

Met muziek van Grieg aan het begin (Holberg Suite) en Rachmaninoff aan het eind (einde 1e deel van zijn 2e pianoconcert). Verder hoorde u muziek van Chopin en gezang 294 uit het Liedboek van de Kerken. Gelezen werd uit Markus 8: 35-36. Het gebed kwam uit de bundel Bij gelegenheid (II) van Sytze de Vries.

 

 

Terug naar overzicht…