Voetenwerk

Door Aart Mak

Het is bijna vakantie. Lang naar uitgekeken. Vandaag nog voorgaan, vanmorgen in Grootebroek en vanavond in Bloemendaal. Maar vanmiddag wel spullen verzamelen, klaar leggen, koffers tevoorschijn halen en inpakken. De komende nacht vertrekken we. Het zal een hazenslaapje worden. Geen probleem. De dagen erna moet niemand iets van me, hoeft er van ons alle vier niet veel en is er dus alle tijd om uit te rusten en bij te komen. Weet u wat ik vanmiddag ook ga doen? Ik ga op zoek naar mijn sandalen. Want sandalen en vakantie horen bij elkaar. Anders draag ik die zolen met bandjes nooit. Ik heb er zelfs enige aversie tegen, helemaal als ik iemand zie lopen met sokken aan in zijn sandalen. Kinderachtig van mij natuurlijk. Ieder moet dat voor zichzelf weten. Maar sandalen heb ik altijd iets voor kleine kinderen en oude mannen gevonden. Niet snel, niet modieus, echt iets voor geitenbreiers. Maar daar waar ik naar toe ga, is het doorgaans erg warm. Wat je aan warme kleren meeneemt voor nood, blijft meestal ongebruikt twee weken in de kast liggen, ook die dichte schoenen waarmee je nog het vliegtuig instapt. Ik loop daar dus elk uur van de dag op sandalen of slippers of hoe die cabrio-schoenen ook mogen heten.

Gek eigenlijk. Ik vertel bijna elke zondag verhalen uit tijden dat mensen blootvoets of ja, inderdaad, met sandalen door het leven stapten. Een keer moest iemand die sandalen zelfs uittrekken omdat hij aangesproken werd en merkte dat hij zich op heilige grond bevond. Een ander, veel later in de tijd, vond zichzelf niet goed genoeg om te bukken voor zijn opvolger en de riemen van diens sandalen los te maken. Niemand had toen, in al die eeuwen, ooit van dichte schoenen gehoord, laat staan van rijglaarsjes. Misschien bestonden die toen alleen in China of bij de elite van Rome. Ik moet dat eens nakijken. Ineens valt mij op dat Jezus tegen de apostelen zegt geen geldbuidel, geen reistas maar ook geen sandalen mee te nemen. Dat is wel erg barrevoets. Op blote voeten omwille van de boodschap. De orde van de Karmel had dat van die sandalen wel opgemerkt, want daar bestaat sinds de 14e eeuw een onderscheid tussen de geschoeide en ongeschoeide Karmelieten. Elkaar een beetje de loef afsteken in wie er het meest armoedig uit ziet, het dikste eelt onder zijn voeten heeft en zo het geloof in Jezus het meeste waar maakt. Enfin. Dan kun je maar beter toch sandalen dragen.

Als ik eerlijk ben – en eerlijk zijn hoort bij de binnenkamer -, dan moet ik toegeven dat ik wel erg neerbuigend praat over sandalen. Mensen beoordelen op wat ze dragen maar zelf stiekem, ongezien in het verre buitenland, de flip-flappende, slippers dragende toerist uithangen. Terwijl ik de beste voetballer van deze tijd bewonder om zijn onnavolgbare voetenwerk, deel ik stille sneren uit naar mensen die dragen wat ze lekker vinden, sokken in sandalen, desnoods met een korte broek erboven. Daar ga ik weer. Wat is dat in mij? De zonde van iemand beoordelen op zijn uiterlijk. Dat zal het zijn. In dat jongensgezin waarin ik opgroeide, konden we elkaar aanstoten en onbedaarlijk lachen om leeftijdgenoten die zich niets aantrokken van de heersende mode. Wij vonden dat ze er niet uit zagen. Het was nog niet de tijd van de merkkleding van tegenwoordig, maar wij deden toen hetzelfde als wat ik nu hoor en zie. Anderen op hun uiterlijk beoordelen. Moeder strooide rond met het woord stumper en verhoogde daarmee alleen maar de pret. En vader hield ons elke zondag voor je naasten lief te hebben en verhoogde daarmee ons verzet. Zo werkt dat als je jong bent. En nog is het niet helemaal weg in mij, stumper die ik dan ben. Eerlijk gezegd heb ik mijn voeten nodig in de vakantie om weer normaal te worden, af te dalen naar de aarde, op de grond te zitten en weer deel uit te maken van het gewone leven. Dus wie is er nu gek? Die mensen die dragen wat ze willen of ik die altijd maar in de plooi en in de ivoren toren van mijn hoofd, vakantie in dat arme Griekenland nodig heb om weer met de voeten op de grond te komen, in sandalen of blootvoets?

Dit alles doet mij natuurlijk denken aan wat ergens in de bijbel staat. Als u het wil nakijken: in 1 Korinte 12. Daar gaat het over het ene lichaam waar we allemaal deel van uitmaken. En het oog kan niet tegen de hand zeggen dat het die hand niet nodig heeft. En evenmin kan het hoofd tegen de voet zeggen – daar heb je het al, precies mijn probleem – dat het die voet niet nodig heeft. Integendeel, staat er, juist die delen van het lichaam die het zwakst lijken, zijn het meest noodzakelijk.

 

 

 

 

Terug naar overzicht…