Herfsttij

Door Aart Mak

Ze zijn er nog niet, maar ze komen eraan, de nadagen. De dagen die korter zijn, er is minder zonlicht, soms is het regenachtig, ’s morgens kan het mistig zijn. Er hangen andere geuren buiten. Ramen beslaan. Het voelt soms al koud aan. Waar liggen de sjaals ook alweer? De zomer is bijna voorbij. Het zorgeloze naar buiten lopen, zonder overjas, soms op blote voeten, het worden beelden uit een andere wereld.

Herfsttij. Ik heb het altijd een mooi woord gevonden. Behalve in de titel van dat imponerende boek van Huizinga over de Middeleeuwen, loopt het woord ook zelfstandig door mijn leven. Laatste levensfase. Ik herinner het me goed van mijn moeder. Het lichaam deed het nog wel maar het functioneerde traag en gebrekkig. Haar geest trok eendere cirkels. Bepaalde gedachten kwamen telkens terug. De antwoorden op de vragen van mijn kant kende ik al. Ook de verhalen over vroeger breidden zich niet meer uit. Haar repertoire bleek eindig te zijn. Ik denk aan vele andere mensen die ik ontmoette in de herfsttij van hun leven. Omdat ik degene was die kennismaakte, was elk woord of gelaatstrek voor mij nieuw. Maar ik zag aan de volwassen kinderen dat hun moeder in haar nadagen was. Het was voor hen alleen nog zorg, intimiteit, verzoening soms, maar geen zomer meer, laat staan een voorjaar vol belofte.

En nu overkomt mij dat ook met de avondkerkdiensten waarin ik 22 jaar lang elke zondagavond ben voorgegaan. Het lijkt een dwaasheid als ik het aantal jaren tel en opschrijf. Het herfsttij dat is aangebroken dwingt me terug te kijken, te wegen en de balans op te maken. Nu heb ik altijd het gevoel gehad dat toen ik begon, in 1995, de zomer al voorbij was. Daar werd ik aan herinnerd door anderen. Die spraken over illustere voorgangers en hoe het ooit was. Sommigen van hen hadden heimwee en verlangden naar herhaling van die tijd. Zoals anderen spraken over het rijke Roomse leven, zo konden kerkgangers en luisteraars mij deelgenoot maken van de tot de nok gevulde kerk en de voorganger die theatraal zijn verhaal hield. Maar hoezeer ik ook van theater houd, ik wist dat dit niet terug zou keren, in elk geval niet door mijn toedoen. Ik was zelf te ver heen, te postmodern, een te grote twijfelaar ook, niet aan God, maar wel aan alle menselijke constructies. En bovendien ben ik zelf een vierde generatie-gereformeerde die uit eigen waarneming had gezien hoe mooi en ook lelijk, hoe hoogstaand en ook boers dat soort protestantisme kon denken en doen. Was Kerk Zonder Grenzen ook niet voortgekomen uit een conflict waar kerkgangers in Nederland jaren later nog over spraken?

Mijn tijd werd overigens voor een deel nog wel een nazomer. Na jaren gewenning, het leek of ik werd teruggezet in de tijd, koos ik tenslotte voluit voor de radio. Ook voor de soms onrustige, naar  oud en vertrouwd verlangende mensen voor mij, maar vooral koos ik voor de luisteraar. Dat bleken mensen die bodem zochten in hun bestaan, onzeker waren over hun leven, eenzaam soms, worstelend om met een chronische ziekte nog wat van hun leven te maken, maar ook mensen die voelden en begrepen hoe we met elkaar in een tijd van grote, ingrijpende geestelijke stroomversnellingen leven. Ik doopte kinderen van mensen die niemand in Bloemendaal kende. Ik was op plekken waar ook mijn bestuur niet van hoefde te weten. Belangrijker: ik leerde uit mijn hoofd (beter: uit mijn hart) te spreken. Verschillende luisteraars zeiden dat mijn diensten heel modern waren in een ouderwetse setting. Dat vonden sommigen aantrekkelijk, anderen haakten om dezelfde reden af. Ik trok naar buiten, hield toespraken in het land, begon boeken te schrijven en leidde in toenemende mate uitvaarten van volslagen buitenkerkelijke mensen. En tegelijk bleef ik ook binnen. Binnen waren de mensen, mijn gemeente die formeel geen gemeente was en vanwege die talrijke enkelingen die luisterden, ook geen gemeente mocht zijn. In mijn persoonlijke agenda was de radio de biechtstoel en een kerkdienst een studiodienst met publiek. Het was vaak balanceren. En menig keer lukte het ook niet. Tot er dan weer iemand belde die mij iets treffends had horen zeggen, iets dat ik zelf alweer vergeten was in mijn negatief uitvallende eigen evaluatie.

En dan gaat nu de nazomer over in herfsttij. Nog drie à vier maanden. De vruchten zijn geplukt. Met deze oogst moet ik het doen. Ik zal ergens in oktober gaan aftellen tot het moment dat ik de laatste keer de zegen zal uitspreken op zondagavond om ongeveer acht uur. De weemoed doet zich al voelen. Maar ook de opluchting. Zoveel jaren al die zondagen, zowel ’s morgens als ’s avonds voorgaan, gaan mij ook zwaar wegen. Herfsttij. Natuurlijk, dit gaat alleen maar over de avonddiensten. Zoveel anders gaat door en dat geldt, hoop ik, ook voor mezelf, nog twee jaar in dienst van de stichting en tot ver na mijn pensioen als kleine zelfstandige. Dat mag ik hopen! Maar die avonddiensten maakten zo’n deel uit van mijn leven. En van het leven van duizenden mensen vroeger en nu misschien van een paar honderd mensen. Het is nazomer, maar de herfst is al begonnen. Ik hield van de radio en houd nog steeds van de radio. Er vallen niet alleen buiten een paar druppels.

Terug naar overzicht…