Uiterlijk

Door Ds. Aart Mak

Aanstaande dinsdagavond, wanneer het de langste dag en de kortste nacht is, is er de nacht van de theologie. Een aardig idee dat voor het eerst plaatsvindt en nu al, nog voor het begonnen is, geldt als een boekenbal voor theologen. Die avond zal de keuze worden gemaakt voor het beste theologische boek van het jaar 2010, een vernieuwend en gefundeerd boek dat een groot publiek bereikte. Daarnaast zal de Theologie Podiumprijs worden uitgereikt aan de man of vrouw die volgens de jury de theologie in het jaar 2010 gezicht gaf met een bijzondere activiteit of initiatief. Het belooft een leuke avond te worden in het Auditorium van de Hermitage in Amsterdam. Ik kan er warempel bij zijn. Eigenlijk was ik net te laat met mijn aanmelding, maar uitgeverij Meinema, een van de organisatoren, gunde me als gast van haar een plek. Voor de rest van mijn leven zit ik natuurlijk aan die uitgever vast, dat begrijpt u.

Interessant trouwens, zo’n nacht van de theologie. Het valt bijna samen met de kerkennacht. Dat is een initiatief van een aantal jaren geleden dat zo langzamerhand over steeds meer steden en dorpen van Nederland uitvlekt. De kerk presenteert zich met flair aan de samenleving. Er is geen reden om teruggetrokken en bescheiden te doen, alsof je bestaan er niet toe doet. Nu ook christenen dik in de minderheid zijn geraakt en steeds meer mensen geen idee hebben wat een kerk doet of voorstelt, zetten we de deur open, hangen we de slingers op en heten we iedereen die nieuwsgierig is, feestelijk welkom. Dat geldt dus niet alleen voor de kerkgebouwen en haar gebruikers. Ook dominees en priesters gaan ineens met hun tijd mee. De eerbiedwaardige vertegenwoordigers, vaak wat bleu en verlegen, ‘wij hebben hier immers geen blijvende stad’ en ‘we zijn wel in de wereld maar niet van de wereld’ – u kent de gemeenplaatsen wel – zullen die nacht niet alleen met hun geleerdheid en andere talenten pronken, ook met hun uiterlijk. Ja, dat wordt nog wat! Er wordt namelijk ook een prijs uitgereikt voor de best geklede dominee. Dat is er later ingevoegd, het moet een grap zijn, al was het maar omdat de jury uit 1 persoon bestaat, de journalist van het dagblad Trouw, Gerrit Jan KleinJan. Maar ik voorspel u dat menig dominee, vrouwelijk en mannelijk, zo goed mogelijk tevoorschijn zal willen komen, ik ook.

En zo hebben ook de theologen eindelijk aanvaard dat het ik-tijdperk ten volle is losgebroken. Het uiterlijk speelt een belangrijke rol en de boodschap moet kort en liefst humoristisch zijn. Ik zal u vertellen waarom ik dit zo beklemtoon. In de uitnodiging staat namelijk vermeld dat de dresscode feestelijk is. U weet misschien dat die code tot een grote vrijheid leidt, als de kleding maar stemmig en vrolijk is. Tot zover helemaal normaal en passend bij deze moderne tijd. Maar dan komt het. Ook staat vermeld dat die feestelijke dresscode dus betekent dat theologen hun sandalen en spencers thuis moeten laten. Ik moest het twee keer lezen en heb toen erg gelachen. Een wereld ging voor mij open. Ineens zag ik ze weer voor me, de dominees die vroeger bij ons in de pastorie over de vloer kwamen. Sjofel gekleed, onopvallend. En toen kwamen de jaren ’70. De tijd van de grote brillen (denk aan Lous Haasdijk), van de wolletjes die ineens spencers heetten. Of denk eens aan de coltruien!. En uiteraard de sandalen, die de terugkeer naar de natuur en alles wat natuurlijk was, moesten verbeelden. Dat was allemaal tot daaraan toe. De woningen werden bruin en oranje gesausd. De zitkuil kwam. De haakwerkjes verschenen achter de ramen. Maar gelukkig – want wat was het eigenlijk foeilelijk – ging die tijd weer voorbij. De interieurs veranderden, de mode veranderde, kapsels, brillen, kleding, schoeisel, alles werd anders. Alleen – en toen was ik inmiddels zelf ook dominee -, de dominees en de priesters bleven met sandalen aan door het leven gaan en, inderdaad, droegen nog steeds zo’n trui met afgeknipte mouwen. Ik deed daar niet zo aan mee, vriendelijk en stevig gecorrigeerd als ik werd door mijn nabije omgeving. Ik noemde de sandalenlook en de spencerdracht altijd de solidariteitskleding van de dominees. Solidair met de armen in de wereld, eenvoudig zoals Jezus geweest moet zijn en in zichtbare tegenspraak met de materialistische wereld. Over smaak hadden we het niet. Want wij behoorden toe aan een ander koninkrijk en we waren immers toch maar voorbijgangers. Enfin, ook die gemeenplaatsen kent u wel.

Daar wordt nu dan dus eindelijk het mes ingezet. Weg met al dat onmodieuze gedoe. Zou het echt lukken, dit einde van déze tijden? Mij schiet te binnen hoe wij vroeger met het gezin waarvan ik het oudste kind was, aan het strand van Rockanje of Wijk aan Zee doorbrachten en dat we haast dagelijks een spel deden dat begon met de volgende vraag: zit er ook nog een andere dominee dan onze eigen vader aan het strand? Vaak lukte het om er een te vinden en vader bevestigde dan dat het inderdaad een vaagbekende collega was. Hoe wij dat zagen, vraagt u? Tja, dat was een in hoge mate ontwikkeld instinct. Een zwembroek die anderen al in de zak van Max zouden hebben gedaan. Een angst voor de zon en enige vrees voor het zoute water die zichtbaar werden in een wit vel en vreemd houterige bewegingen. En natuurlijk altijd een meer dan dik boek waar naarstig in werd getuurd. Zoiets was het. Wij keken eigenlijk gewoon om ons heen uit naar iemand die als twee druppels water op vader leek. Een van de collega’s van mijn vader was trouwens de leukste. Hij zag er vlot en modern uit en dat gold nog meer voor zijn vrouw. Toen ik die waarneming eens deelde met mijn moeder - ik zal een jaar of elf zijn geweest, zei ze dat deze collega nogal werelds was en dat zijn vrouw daar vooral debet aan was. Daarmee was het oordeel geveld. Ach ja, mijn moeder. Misschien waren de domineesvrouwen van vroeger wel degenen die het allemaal écht doorhadden. Zij namen hun man mee naar de herenmodezaak van een gemeentelid – uiteraard - en zorgden dat hun man daar stemmig en netjes gekleed weer uit tevoorschijn kwam, maar ook weer niet zo dat hij een aantrekkelijke partij werd voor al die zusters van de gemeente die maar wat graag de dominee wilden ontvangen om hun zielenroerselen mee te delen. De man van de domineesvrouw moest er wat oudbakken en wereldvreemd blijven uitzien, dat hielp het beste om het geloof in alle zuiverheid te bewaren. Ik geloof, nu ik er eens goed over nadenk, dat dit het moet zijn geweest.

Dat was vroeger. Tegenwoordig zijn er veel meer vrouwelijke predikanten dan mannen die dit edele ambt bekleden. Daarmee is de fleur terug in domineesland. En misschien ook wel de flirt. Ik haast mij om te zeggen dat ik uiteraard doel op het flirten met God, zoals de mooie titel luidt van het boek van een andere journalist van het dagblad Trouw, Koert van der Velde. Ik zal dinsdagnacht in Amsterdam vast meer dan andere keren aan mijn moeder denken ...

Met muziek van Grieg aan het begin (Holberg Suite) en Rachmaninoff aan het eind (einde 1e deel van zijn 2e pianoconcert). Verder hoorde muziek van Clerambault en gezang 107 uit het Liedboek. Gelezen werd uit Prediker 9: 8-9a. Het gebed kwam uit de bundel ‘Zeggen en zwijgen, oecumenisch gebedenboek voor alledag’ van Marcel Barnard e.a..

 

 

Terug naar overzicht…