Jubileum: te veel kerk, te weinig grenzeloos

Door Aart Mak

En dan is het zondag zover. Kerk Zonder Grenzen bestaat als stichting vijftig jaar en we vieren dat in de op de zender Radio Bloemendaal ook uit te zenden ochtenddienst. Waarmee deze Binnenkamer die eerder op zondagmorgen de lucht in gaat, even als een Opmaat voelt, zoals het programmaatje heet waarmee Ad van Nieuwpoort tegenwoordig de luisteraars naar de kerkdienst op temperatuur brengt. Wat er met de opengeslagen bijbel, met liederen en in gebeden over gezegd moet worden, wordt wel duidelijk in de dienst. Daar vieren we het en in de kerk doe je dat met wat een liturgie heet. Hier kijk ik liever terug op die vijftig jaar en op het verschijnsel jubileum. Voor mij ligt het eerste nummer van het contactorgaan van Kerk Zonder Grenzen. Het abonnementsgeld was toen 6 gulden per jaar, hetgeen, zoals Gerrit Toornvliet schrijft, voor weinig lezers een bezwaar zal zijn. De diensten begonnen toen om half acht ’s avonds en dat was dan de derde kerkdienst in de Vijverwegkerk waar de eigen wijkpredikant om half tien en om vier uur ook diensten belegde. Enfin, volgens de dan nog in dienst zijnde Toornvliet – hij zou later een eigen radiogemeenschap oprichten -, is Kerk Zonder Grenzen een gemeente waarin kerkelijken en niet-kerkelijken samen bidden, samen de blijde boodschap horen, samen zingen en samen blij getuigen van het nieuwe leven dat God hun gaf.

Genoeg nu over Kerk Zonder Grenzen, later vanmorgen en trouwens ook vanavond meer over die stichting. Laat ik het over jubilea hebben. Ik herinner mij de zomer van 1976 toen mijn vader zijn 25-jarig ambtsjubileum vierde. Het was een snikhete dag, zoals er zovele waren in die zomer. Uit alle windstreken waren mensen naar het oostelijk gelegen Hengelo gekomen om hem en mijn moeder de hand te drukken, want het was op een handvol dagen na ook hun huwelijksjubileum. Ik herinner mij hoe heel wat volwassen mannen binnen kwamen met maar een gedachte: waar is het bier (en dan liefst zo koud mogelijk)? Maar vader en moeder waren geheelonthouders en trakteerden de gasten op alles wat bestond maar geen procentje alcohol bevatte. Dat was dus je dorst lessen met een glaasje Rivella of met het merk vruchtensap dat zich afficheerde als het beste onder de zon. Of bestond dat nog niet in de jaren zeventig? Jubilea van mannen en vrouwen die 25 of 40 jaar in het ambt staan of bij de zaak zijn, hebben trouwens altijd iets tweeslachtigs, of ze nu met of zonder alcohol worden gevierd. Je zet iemand even in het zonnetje, maar het voelt ook altijd, vind ik, als wanneer je ‘Lang zal die leven’ hebt gezongen, maar dan, wat zeg en wat doe je daarna? De ongemakkelijke stilte, de cadeautjes die uitgepakt worden, het glas dat geheven wordt – maar dan?

Dat ‘maar dan?’ is er bij elk jubileum. Het is de betrekkelijkheid die meeloopt bij elk absoluut getal. En dan zijn er ook nog allerlei andere vragen die we meestal wegstoppen. Is het een prestatie als iemand al zo lang bij dezelfde winkel achter de toonbank staat? Is het een teken van lef of juist van lafheid als je na vijftig jaar als organisatie nog steeds hetzelfde doet als toen je begon? Als mensen grijzer worden, wil dat nog niet zeggen dat ze wijzer worden. Van nabij maak ik de laatste twee jaar mee hoe het leven van een middenstander eruit ziet en dan ook nog eens van een met ondernemersgeest. De risico’s die je moet nemen, de zorg voor in haar geval meer dan 25 personeelsleden, de moeizame gesprekken met de nog steeds arrogante banken – ik zie dat en realiseer me dat een dominee zoals ik die wel het nodige aan nood en dood te verstouwen krijgt, maar één ding hoeft te doen: niet weglopen. Maar ik hoef mij geen zorgen te maken over mijn salaris dat ik elke maand weer op mijn rekening aantref. Ik bewonder dus mensen die hun nek durven uitsteken, sommige journalisten, enkele collega’s ook, een handvol politici, mensen als Marjan Minnesma en andere klimaatactivisten, ambulancepersoneel, kortom: al die mensen die niet denken in jaren, laat staan een jubileumjaar, maar denken in dagen. Hun ideaal is te groot om hun inzet af te meten aan het aantal dienstjaren.

Dat brengt mij dan toch weer terug bij de stichting Kerk Zonder Grenzen, of beter nog bij mijzelf. Ik vind dat ik te weinig van de gebaande paden ben afgeweken. Ook ik was de profeet die brood kreeg van mensen wier woord hij vervolgens sprak. Ik heb te veel geleund op mijn talent en mezelf te weinig voor het blok gezet. Kerk Zonder Grenzen bleef ook door mijn toedoen te braaf, te oud en vertrouwd en uitte zich onverstaanbaar voor mensen die weg dreigden te zinken in deze cynische wereld. Te veel kerk, te weinig grenzeloos. Daar stond tegenover, misschien, ik weet het niet zeker, dat ik veel mensen heel nabij mocht zijn. En dan, in de huiskamer, de gang van het ziekenhuis of in de sterfkamer komt er ruimte voor twijfel, niet-weten, oud verdriet of woordeloos vertrouwen. Mensen op de bodem van de put – en daar was ik dan ook, een tijdje... Dus dat jubileum. Wat zullen we zeggen? Ik ga nog ruim anderhalf jaar door met dit werk, begrijpt u mij goed. Het is ook niet mijn jubileum, maar het jubileum van een stichting waarvoor ik werk. Maar voor mij zou het wel zo goed zijn dat wat ik deed, gedaan hebt en misschien nog zal doen, uiteindelijk niet meer en ook niet minder is dan het zout dat toegevoegd wordt om iets op smaak te brengen, maar dat op zich niet meer gevonden wordt. Het heeft zijn werk gedaan. En dan ga ik met mijn vrouw, kinderen en vrienden lekker de kroeg in. Om bier te drinken, zo koud mogelijk…

Terug naar overzicht…