Eindelijk

Door Aart Mak

Verliefdheid. In vuur en vlam staan. Niet kunnen slapen omdat de fantasie met mij op hol sloeg. Ik weet er alles van. Vanaf mijn middelbare schooltijd beheerste het grote verlangen mij. Dat verlangen was zo groot dat ik nu nog niet zou weten hoe het ik het moet noemen. Maar dat verlangen was er altijd. Het slorpte mij soms haast leeg. Het blokkeerde mijn schoolprestaties. Ik redde het altijd, slim en spontaan als ik was. Maar verborgen voor de waarneming van anderen was ik met heel iets anders bezig dan met de geschiedenis van het oude Griekenland of de zes naamvallen in het Latijn. Ik dagdroomde, ik las ’s avonds boeken over mensen die enorme reizen maakten, ik zocht en keek en vergeleek. Zij moest mooi zijn. En heel slim natuurlijk, gevat, humoristisch ook. Wijs en geduldig, die eigenschappen kwamen er later bij. Natuurlijk had ik allerlei avonturen. Verliefdheden die ook weer over gingen. Langere relaties omdat de code thuis was dat je ook trouw moest zijn. Ik ben getrouwd en na ruim zes jaar weer gescheiden. En in de jaren erna heb ik gezworven als een hongerig dier, overal op zoek naar eten. En toen weer getrouwd en weer gescheiden. Wat bezielde mij? Ik heb me dat toen vaak afgevraagd. Ik wist het niet goed. De gesprekken gingen meestal over maatschappelijke deugden, over kinderen, over wonen en geld vooral. Mijn aanpassingsvermogen is in die jaren duizelingwekkend toegenomen. Maar dat vuur bleef maar branden. Onrustig mijn ziel. Ik stond bekend als gevoelig, benaderbaar, meegaand, maar niemand wist wat echt in mij leefde. Ik zelf ook niet.

Zou je het een obsessie kunnen noemen? Misschien. Wat ik maar noem mijn-grote-verliefdheid heeft mij al die jaren wel beheerst. Ik deed mijn werk en ik deed het wel goed, maar ik haalde er nooit het uiterste uit. Ik wist, in tegenstellingen tot andere mannen, dat ik daar nooit vrede in zou vinden. Ik hoefde geen carrière te maken. Ik wilde iets anders. Je zou het ook een vergaand idealisme kunnen noemen. Dat was het ook wel, als ik terugkijk op de energie die ik jarenlang stak in de wereldwinkel, nieuwe levensstijl, acties tegen de kernwapens. Maar ik zocht iets anders. Iemand anders. Een onbestaanbaar iemand. Mijn eigen moeder was vaak ziek. Een psychiater heeft mij wel eens uitgelegd wat er dan met een opgroeiende zoon kan gebeuren. Ik kan nog steeds smelten als ik een mooie vrouw met krukken of in een rolstoel zie voorbijgaan. Ben ik vreemd? Ja ook. En ik was die man die groots en meeslepend wilde leven, hoort ge dat, vader, moeder, wereld? (Marsman).

En toen gebeurde het. Ik kwam iemand tegen. Ik was gewoon mijn werk aan het doen. Samen met mijn broer. Wij werden geroepen. En ik wist dat ik eraan gehoor moest geven. Alsof ik daarop had gewacht. Samen met anderen die blijkbaar met datzelfde grote verlangen hadden geleefd, heb ik letterlijk en figuurlijk gezworven. Alles meegemaakt wat er te koop is. En vooral wat onbetaalbaar is. Ik wierp me met mijn slimheid en spontaniteit vaak op als een soort leider. Ik wilde iemand zijn. Maar ik wist dat ik dat nog niet was. Toen het erop aankwam, werd ik bang. Ik, met al mijn charmes en praatjes, kon me er toen niet uitredden. Ik moest kiezen. Ja of nee. Hoorde ik er bij of niet? En ik koos verkeerd. Ik wist het en toch deed ik het. Ik vervloekte mezelf om mijn lafheid, maar ik kon niet meer terug. Wat er daarna gebeurde, weet u misschien. Toen kwam het hoge woord er eindelijk uit. De liefde. Tot drie keer toe. En al mijn verlangen, mijn immense verliefdheden, mijn onrust en eindeloze dwalen naar die ene die ik volledig kon liefhebben, die hele kluwen rolde ineens niet meer en viel uiteen. Er kwam rust in mij, een weldadige rust. Ik hoefde ineens niet meer zo nodig, iemand had mij aanvaard zoals ik ben. En ineens was ik volwassen. Ik durfde, nee ik wilde verantwoordelijkheid dragen. Gek is dat, achteraf verbaas ik mij vaak over hoe dat gegaan is. Het is waar wat iemand ooit zie, mijn hart is onrustig tot het rust vindt in u. Maar u moest eens weten wat een lange weg dat is, om rust te vinden.

Tekst: ‘Voor de derde keer vroeg hij: ‘Houd je van mij?’ En ik, intens verdrietig omdat ik het nog een keer moest zeggen, zei toen: ‘Ja, u weet alles, u weet toch dat ik van u houd.’ En toen was het klaar. En hij zei nog iets over het weiden van schapen. Later besefte ik dat mijn reis ten einde was. En ik eindelijk aan het tweede deel van mijn leven kon beginnen.’ (naar Johannes 21: 17 – 18)

 

 

 

Terug naar overzicht…