Bidden

Door Ds. Aart Mak

In mijn binnenkamer is het onrustig. Ik las over een man, de vader van een dochter die een jaar geleden door Boko Haram ontvoerd is. Zijn dochter Amina – haar christelijke naam is Antonia, was een van de 219 meisjes die vorig jaar deze tijd uit een school in het noordoosten van Nigeria werden geplukt door de terreurbeweging en die nog steeds spoorloos zijn. Wat doet een vader dan? Zijn andere kinderen huilen veel. Zijn vrouw eet niet. En hij bidt. Los van de verhalen die verteld kunnen worden, over de vreselijke terreur, over moslims en christenen, over Nigeria en de nieuwe president Buhari, gaat het nu om die ene wanhopige man. Hij bidt. Op de foto zie ik hem met een foto van zijn dochter in de  hand. Hij zegt: ‘Als ik enig idee had waar ze was, zou ik erheen gaan. Al zou ik daar moeten sterven.’ En omdat hij niet weet waar ze is, bidt hij. Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen? Nee? Dan zal ik wachten en bidden. Kunt u zorgen dat mijn dochter veilig naar huis terugkeert? Nee? Dan zal ik huilen en bidden. Het is hartverscheurend. Donderdagavond begeleidde ik een kort toneelstuk waarin de doorwerking van de vijfjarige oorlog in Nederland -1940-1945 -  via de verhalen van twee vrouwen getoond wordt. Maar ik dacht bij het gesprek erna toch vooral aan mensen zoals deze vader. En aan al die bootvluchtelingen. En aan die paar honderd illegale asielzoekers hier, zonder papieren, afkomstig uit de hel. En wat moeten ze?

Als jongen las ik een boek over twee jongens zoals ik die een gewoon leven hadden, wel eens wat anders wilden, in de val van een ronselaar liepen en ontvoerd werden om als slaaf op een Portugees fregat te dienen. Het verhaal speelde in andere tijden. Uiteindelijk ontsnappen de jongens maar dan maken zij in hun herwonnen vrijheid de verschrikkelijke aardbeving van Lissabon mee, 1755. De toenmalige wereld stond op zijn kop. Ik weet nog dat ik het toen, acht jaar oud, een van de spannendste boeken vond die ik ooit gelezen had. Jaja. De fantasie die alle kinderen hebben werd ook bij mij geprikkeld. Wat doe je als je ouders kwijt zijn? Of dood? En wat doe je als je ontvoerd wordt en misschien wel nooit meer thuis zult komen? En toen wist ik al wat ik nu dagelijks kan weten; zulke kinderen zijn er bij duizenden. En radeloze ouders die niet weten wat er met hun kinderen is gebeurd en waar ze zijn, zijn er ook, ontelbaar veel. Zoals die ene vader, Jonah Bulama, ergens in het noordoosten van Nigeria.

Maar dat bidden. Dat die man al een jaar lang bidt doet mij veel. Ik loop door mijn binnenkamer. Ik zie mijzelf ook bidden. Soms vurig. Vaak aarzelend. Met veel woorden, soms zonder woorden. Ik hoor om mij heen anderen bidden, meestal het Onze Vader. Mensen dragen elkaar met hun woorden. Ik hoorde deze week een collega zeggen dat geloof gemaakt is van verbeelding. Ja, dat ken ik en begrijp ik, wij proberen ons in ons geloof te verbeelden dat wij gezien en gezegend zijn. Verbeelding, dichterlijke taal, liedjes van verlangen. Maar het is toch meer dan verbeelding, hoorde ik mij zeggen? Er beantwoordt toch ook werkelijkheid aan? God is toch niet alleen een constructie? Of een inspirerend verhaal? Dat koninkrijk waar Jezus het altijd over had, is er toch, al lopen wij er als onnozele kinderen aan voorbij? Die arme vader in Nigeria bidt al een jaar lang elke dag voor zijn ontvoerde dochter. Is zijn bidden een loos gebaar? Doen die woorden die hij tot God in de hemel richt er niet toe? Is de mens een onverbeterlijke idealist en creëert hij zich een hogere macht die hem moedig en hoopvol maakt en hem helpt om de barre ellende vol te houden? Het zou mij allemaal te weinig zijn. Maar dan moet ik – zo loop ik heen en weer in mijn binnenkamer – dan moet ik kunnen aantonen dat bidden helpt en dat wij soms op een geheimzinnige wijze een handje worden geholpen. Niet alle kinderen worden gered, akkoord. Maar sommigen toch wel? En er bestaan toch wonderen? En wie aanhoudend bidt, als een mens die klopt op een deur, zal toch worden opengedaan? Ook al zie je niet achter die deur wat je had verwacht, die deur gaat toch een keer open?

Dit is allemaal zo ingewikkeld! Zo hemeltergend en hartverscheurend. Want dat meisje met haar doopnaam Antonia is met haar 218 medescholieren nog steeds weg. Ik spreek met mezelf twee dingen af. Een: bidden helpt om niet onverschillig en cynisch te worden. Twee: Als God bestaat en in zijn eindeloze geduld ons alle vrijheid geeft, dan wil ik hem wel graag met vele anderen herinneren aan waar het naar toe moet. Ook God moet niet verdwalen. Die vader in Nigeria die al een jaar lang elke dag bidt voor zijn dochter, moet namelijk een keer getroost worden, echt getroost.

Tekst: Ik blijf hopen op wat nog niet zichtbaar is. En in afwachting daarvan blijf ik volharden. God, mag ik daarvoor alvast iets krijgen van uw geestkracht? (naar Romeinen 8)

 

Terug naar overzicht…