Strijd

Door Ds. Aart Mak

U heeft ze misschien ook al gezien de laatste weken. Ik bedoel de posters in bushokjes waarop een man of vrouw je aankijkt. ‘Ga door met mijn strijd’, staat er steeds bij. De stichting ALS voert op dit moment campagne. Iedereen weet wat ALS is en hoe desastreus het ziekteverloop is. Tot nog toe is tegen deze ziekte nog geen kruid gewassen. Begrijpelijk dus dat het woord strijd wordt gebruikt. ‘Ga door met mijn strijd.’ Als het om ziekten gaat worden wel vaker oorlogstermen gebruikt. Let maar op. Een ziekte moet je bestrijden. Iemand gebruikt agressieve medicijnen om te vechten tegen een aandoening. Artsen proberen met man en macht een patiënt op de operatietafel te redden. Het zijn goed beschouwd allemaal militaire metaforen. Zulke beeldtaal is eeuwenoud omdat het zo goed past. Er is sprake van een vijand: de ziekte. De arts is de aanvoerder en de patiënt de strijder. Er zijn uiteraard bondgenoten: het medische team en een heel wapenarsenaal staat ter beschikking: de medicijnen en alle medische apparatuur. De arts Dhruv Khullar wees onlangs erop dat zulke oorlogszuchtige taal de patiënt kan helpen om zich vastberaden en dapper te verzetten tegen wat hem overkomt. Maar, zegt hij, ze zijn niet altijd even toepasselijk en kunnen soms meer kwaad dan goed doen. Wat te zeggen namelijk als het zoals in veel gevallen gaat om een chronische ziekte? Moet je dan wel spreken van een vijand en van verzet? Als het winnen van de strijd geen optie is, moet je dan wel zulke woorden gebruiken? Voelt iemand die Parkinson heeft – zoals naar nu blijkt ook Robin Williams had ontdekt, zich wel thuis bij deze taal, omdat hij zal moeten leren te leven met die ziekte?

Als altijd kunnen woorden de werkelijkheid vervormen. Het geldt op allerlei gebied. Een krant als De Telegraaf weet op dit gebied ook van wanten. De grote koppen op de voorpagina moeten een sfeer van angst of dreiging oproepen. Of er wordt gesuggereerd dat iemand toch wel heel erg fout zit, zoals onlangs de Haagse burgemeester Van Aartsen de mantel werd uitgeveegd omdat hij nog maar steeds aan het vakantie vieren zou zijn. In een andere krant, de Volkskrant, riep een columnist de lezers op tot meer strijdbaarheid. Ook hier ging het, heel bewust, om taal en toonzetting van de woorden. Volgens hem was met alle ellende van tegenwoordig de 21e eeuw nu echt begonnen. Daarin sloot hij in mijn beleving overigens naadloos aan bij het gevoel van veel mensen in deze dagen. Oorlogsgeweld in Gaza, Oekraïne, Syrië en Irak, rellen in Parijs, Berlijn en de Schilderswijk in den Haag, de landen Rusland, Turkije en ook Hongarije die steeds meer democratie uit hun samenleving slopen en er controle en autocratisch leiderschap voor in de plaats willen hebben. Wat is er allemaal aan de hand en gaat dit wel de goede kant op? Dat gevoel. En dan spreekt René Cuperus, de betreffende columnist, over een Karremans-scenario. Daarmee bedoelt hij de man van Srebrenica, de Nederlandse militair die onbeholpen en naïef het barbaarse geweld van generaal Mladic dacht te kunnen trotseren. Zijn pleidooi komt er dan op neer dat wij in het naoorlogse Europa niet meer goed weten hoe we onze tanden laten zien aan onze vijanden. Ons ontbreken de juiste registers en toonsoorten, verwend als we zijn door vrede en welvaart. En hij wijst dan op de Israëli en de Amerikanen, die altijd vastberaden en moedig de strijd aangaan en niet bang zijn verliezen te lijden.

Strijdbaarheid in plaats van naïviteit en goedgelovigheid dus, dat hebben we nu nodig, aldus deze columnist. Ook hier zijn de woorden van belang. En de suggestie die zij oproepen. Het klinkt aantrekkelijk. Er waren ook talloze Nederlanders die vonden dat de Israëli er in Gaza terecht op los sloegen en dat de Nederlandse mariniers er zo ook op af hadden gemoeten in Oekraïne. En ook door mij ging een trilling van ontroering toen ik hoorde dat de Amerikanen aan het bombarderen waren in Irak om door IS ingesloten vluchtelingen te ontzetten. Soms moet je vechten, inderdaad. Maar de vraag is of wij verder komen met taal die aan oorlog en strijd, vijanden en winnen of verliezen herinnert. Toen Frans Timmermans de Veiligheidsraad in New York toespraak, maakte hij indruk door zijn luisteraars te vragen zich voor te stellen hoe het zou zijn als een geliefde van hen in dat vliegtuig was omgekomen. Hij gebruikte het menselijke vermogen tot inleven om de leden van die raad te bewegen tot medemenselijkheid. Ik denk sowieso al heel lang dat politici die een beroep doen op positieve menselijke waarden als mededogen, rechtvaardigheid (wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.’) en tolerantie van andersdenkenden, meer bijdragen aan de toekomst dan degenen die anderen gestoord noemen, overal vijanden zien en suggereren dat elke Nederlanders zich bedreigd zou voelen.

Enkele maanden geleden zond Brandpunt een interview uit met de Amerikaanse kinderpsychiater en neurowetenschapper Bruce Perry. Perry deed daarin een opmerkelijke uitspraak. Hij stelde dat we onze samenleving - zonder het door te hebben - hebben ingericht op het emotioneel verwaarlozen van onze kinderen. En dat, zo beweert hij, gaat ten koste van de ontwikkeling van hun aangeboren talent om zich te kunnen verplaatsen in en mee te leven met een ander. Met andere woorden: het vermindert hun empathisch vermogen. En, zegt hij, empathie ligt ten grondslag aan zo ongeveer alles wat een maatschappij doet functioneren: vertrouwen, altruïsme, samenwerking, liefde, liefdadigheid. Een onvermogen om je in te leven is een van de hoofdbestanddelen van de meeste maatschappelijke problemen: misdaad, geweld, oorlog, racisme, kindermishandeling en ongelijkheid, om er maar een paar te noemen.’

Er is dus werk aan de winkel. Maar dat ziet er anders uit dan het oppoetsen van allerlei woorden als oorlog en strijd. Zulke taal maakt de tegenstellingen tussen mensen juist groter. Het maakt wat uit hoe je anderen noemt: rebellen, terroristen of barbaren. Je moet wel de juiste maatregelen nemen maar er tegelijk op uit zijn dat er ook een keer weer samen geleefd moet worden. Dat geldt voor Israël en Gaza en het geldt voor de Schilderswijk. Ik zou dus zeggen dat we vooral door moeten gaan met de strijd, maar met name de strijd om de ander als medemens niet uit het oog te verliezen. Vijanden maken is niet moeilijk. Je vijandige gedachten overwinnen en bruggen bouwen in plaats van die af te breken is de ware levenskunst. Er bestaat een oud boek dat daarover veel zinnigs te zeggen heeft.

Met muziek van Desplat en Lane/Vitarelli. Verder hoorde u muziek van Saint-Saens en een gezongen ‘Onze Vader’. Gelezen werd uit Mattheus 5: 43-45. Het gebed kwam uit de bundel ‘Zeggen en zwijgen, oecumenisch gebedenboek voor alledag’ van Marcel Barnard e.a.

 

 

Terug naar overzicht…