Stilte

Door Ds. Aart Mak

‘Ik kan je ook in stilte spreken.’ Dit is een Tuimeltekst. Zo’n uitspraak waar je even stil van wordt, om glimlacht of ernstig van aan het denken slaat. ... Stilte dus. Tegenwoordig wordt stilte regelmatig door allerlei veel pratende filosofen en druk schrijvende columnisten opgehemeld. Dat is dus waarschijnlijk bij gebrek aan stilte. Een mens verlangt pas naar iets als hij het niet of te weinig heeft. Het moderne leven is ontegenzeggelijk lawaaiig, een soort dagelijkse finale van het Eurovisie Songfestival, met allerlei klanken, stemmen, jingles, tunes, muzak, gepingel en getingel die binnendringen. Je oren kun je niet echt dichtstoppen, in tegenstelling tot je ogen die je kunt dichtdoen. En alle lawaai van buiten zit ook van binnen. Want als het eindelijk wel stil is, ’s nachts bijvoorbeeld of ergens in een riant ingerichte plaggenhut in Drenthe, gaan de stemmen in je hoofd door of zetten we een van de vele apparaten aan waarmee we met de wereld in contact willen zijn. Stel je voor dat het echt stil zou zijn!

Maar weet u, ik had heel lang een bloedhekel aan stilte. Dat komt denk ik omdat ik grotendeels ben opgegroeid in het oosten van dit land. Daar was het nog stil, zei mijn moeder altijd. Dat zal wel, dacht ik, maar toen ik 16 was zaagde ik de knalpijp van mijn brommer grotendeels af. De stilte van het Twentse decorlandschap heb ik dus nooit ervaren. En naar ik vrees anderen ook niet, als ik langs knalde. Maar wat ik zeggen wou, ik had vooral een hekel aan stille mensen. Mijn hemel, wat konden ze daar zwijgen. Vroeg je iets, keken ze je zwijgend aan! Alsof je een onoorbaar voorstel had gedaan. En als ze daar wel eens wat zeiden, dan waren het een paar woorden waarvan ze ook nog eens de meeste letters inslikten. De Twentse ziel heb ik in die jaren nooit begrepen. Thuis moesten wij, gezin -  zeven kinderen, aan tafel ook stil zijn. Er werd zwijgend gegeten. De enige die wat zei was mijn vader. Mijn moeder zei aan tafel zelden wat, hooguit of het wel een beetje smaakte, het eten. Op school leerden we dat de grootste held uit de vaderlandse geschiedenis Willem de Zwijger was. En we hoorden daar natuurlijk ook dat spreken zilver en zwijgen goud is. Dat was daar ongeveer de grootste wijsheid.

Maar toen gebeurde er is iets. Wij kregen televisie. Als een van de laatsten in de straat. Zwart-wit, een Nederlandse zender, drie Duitse zenders. We zaten vlakbij de grens met de oosterburen. En na de sporadische geluiden van het ANP nieuws over de radio, kwam er ineens geluid in huis. Muziekjes, televisieshows, gejuich bij een voetbalwedstrijd, druk gepraat zelfs. Het was voorbij met de stilte! En ik groeide ineens verder op met de veel pratende Barend Barendse (ook NCRV), Theo Koomen (onweerstaanbare spraakwaterval) en later Hans van Willigenburg die alleen stopte met praten als hij zijn tanden moest poetsen. In mijn uiteraard selectieve herinnering is de stilte toen voorgoed verloren gegaan. En ik herinner mij vooral wat een opluchting dat was. Eindelijk geluid. Eindelijk mensen die drukte maakten en vooral eindelijk mensen die zeiden wat ze dachten.

Ik ging mijn eigen mond van de weeromstuit roeren. Mijn vader was niet meer zo dwingend aanwezig. Mijn moeder las de Libelle en begon regelmatig haar mening te geven. En mijn jongere broers repeteerden thuis hardop hun spreekbeurt die ze op school moesten houden. Het voelde als een dijkdoorbraak. Ineens zwom ik in het aangenaam aanvoelende water van woorden, geluiden, meningen en muziek.

Dat is allemaal lang geleden. Zo’n 45 jaar. En het is een beetje uit de hand gelopen sinds die tijd. Met mij en met de wereld om mij heen. Ik ben al sinds jaar en dag voortdurend aan het woord. Veelgevraagd spreker, heet dat dan. Ik moet zo nodig wat zeggen. Zelfs als het gepast is te zwijgen, bij de dood bijvoorbeeld. Een van mijn boeken draagt als titel ‘Met Stomheid Geslagen’. Het gaat over moderne uitvaarten. Nou, vergeet het maar dat ik met stomheid geslagen zou zijn! Ik praat wel. Een vloed aan woorden soms. Maar ook om mij heen is het uit de hand gelopen. De 3D kleurentelevisie met surround geluid stroomt over van de praatprogramma’s. Op elke zender wordt er gepraat. Over van alles. Over wat er gebeurt en over hoe de voetballer of de supporter, het slachtoffer of de omstander, de politicus of de commentator zich daarbij voelt. Gek word ik er soms van. Niets blijft onbesproken. Emotietelevisie. Wie heeft dat uitgevonden? Elke rimpeling van het innerlijk wordt in woorden gevat. Niets passeert of er poseert wel iemand voor de camera met Een Mening. Van de schrale zwijgzame jaren van mijn jeugd ben ik beland in de kermis van opiniepeilingen en de zichzelf emotioneel binnenstebuiten kerende, praatgrage mensen van tegenwoordig. Ga maar in een treincoupé zitten en luister naar wat er om je heen via de smartphones uitgewisseld wordt. Brrr.

Wat te doen dus behalve vluchten naar een stiltecoupé? Ik wil nog veertig jaar mee, dan word ik 101 en in die veertig jaar moet er iets gebeuren aan al dat lawaai voordat ik vanzelf doof word. ‘Ik kan je ook in stilte spreken’ is dus voortaan mijn tekst! En waarom houd ik zo van deze Tuimeltekst? Omdat ik hierin een pleidooi zie voor de tijd die ook je vriend kan zijn in plaats van, zoals meestal, je vijand. De tijd die genomen moet worden. De tijd die haar eigen werk kan doen. De tijd die wonden heelt. De tijd die nodig is om trage vragen te stellen. Ja, trage vragen. Dat zijn vragen die je niet zomaar stelt maar die opkomen uit je ziel. En de ziel kent haar eigen tijd zoals u weet.

Trage vragen zijn vragen naar de zin en de betekenis, naar het waarom en het waartoe. Maar ook vragen naar wie je nu echt bent en wat je nu echt wilt. Daar kom je niet zomaar op. Voor die vragen is veel spreken juist een belemmering. Want de essentie van het leven ligt onder in de put, onder de stenen en het gruis van onze ingebeelde ideeën, meningen en maskerades. Er moet gegraven worden. In stilte, zwijgend.

En als ik u in stilte wil spreken, bedoel ik dat ik niet met u wil chitchatten, aan smalltalk wil doen of gossip verspreiden. Alleen al die Engelse woorden zouden ons zeer wantrouwig moeten maken. We hullen ons in een andere, vreemde taal om niet toe te komen aan de eigen, enige echte woorden die er toe doen. En ik wil juist mensen tegenkomen die stilzwijgend begrijpen.

Begrijpen dat het leven complex is, dat je niet zomaar weet hoe het moet, dat je moet leren omgaan met je macht en ook met je onvermogen, dat je niet het centrum van de wereld bent en tegelijk toch er mag zijn, dat dit leven misschien een theater is waarin je een rol speelt. Of een school waarin je lessen leert.

Weet ik het? Nee natuurlijk. Maar als ik het hoogste of diepste zeg wat ik kan verzinnen, noem het God, dan bedoel ik eigenlijk ook Iemand die mij in stilte wel eens spreekt. En ik heb ontdekt dat er, ergens tussen Twente en Haarlem in, tussen mijn stille jeugd en dit lawaaierige heden in, een welsprekende stilte bestaat. Ik denk echt dat mensen, als ze die welsprekende stilte weten te vinden, er bepaald gelukkiger van worden.

Als Tuimelpreek donderdag 22 mei in de St. Bavo in Haarlem gehouden; als column zondag 18 mei via Radio Bloemendaal uitgesproken...

Terug naar overzicht…