Virtueel

Door Ds. Aart Mak

Laat ik beginnen met een citaat. Het gaat zo: ‘Sommige mensen denken dat voetbal een zaak van leven of dood is. Dat vind ik een zeer teleurstellende stellingname. Ik kan u verzekeren dat het veel, veel belangrijker is.’ Dit werd jaren geleden gezegd door Bill Shankley. De sportvolgers onder u zullen nog weten wie dat was. Hij was in het Engeland van de jaren ’60 en ’70 het type kleurrijke eigenzinnige trainer wiens grootste wapenfeit was hoe hij Liverpool van de destijds tweede divisie liet promoveren naar de First Division, om in die hoogste divisie, drie jaar later, landskampioen te worden. Shankley leeft allang niet meer, maar deze opmerking over het blijkbaar wel heel erg grote belang dat voetbal vertegenwoordigt, is nog gedenkwaardiger geworden dan de  Rinus Michels, ook overleden, in de mond gelegde uitspraak dat voetbal oorlog is. Wij zijn dus de dagen begonnen dat u, of u nu wilt of niet, niet om alle berichten heen kunt over het voetbalcircus dat losgebroken is in het roerige Brazilië.

Aan de andere kant. Voetbal is een sport en sport is een manier om alle ingebouwde instincten en driften die mensen nu eenmaal hebben, te kanaliseren. Laat ze tegen elkaar spelen in sportwedstrijden, laat ze winnen of verliezen, laat het erop of eronder zijn, maar ze vermoorden elkaar in elk geval niet. Deze grote wereldwijde volkssport is in elk geval een manier voor landen om zich te profileren, zonder dat ze daarvoor hun jongens in tanks of straaljagers het slagveld op moeten sturen. Zo ontlaadt sport allerlei spanningen en identificeren hele volksstammen zich met hun helden, er wordt gehost en gehuild, maar de emoties komen er tenminste op een betrekkelijk ongevaarlijke manier uit. Voetbal is oorlog misschien, maar wel een virtuele oorlog. Vergeleken met het schouwspel dat zich sinds de afgelopen week in Irak ontrolt, is mij dit wereldkampioenschap voetbal liever. In Irak wordt echt gevochten. Inmiddels zijn daar drie grote steden en een olieveld veroverd door een zich Soennitisch noemende beweging die uit is op de heerschappij over Irak en Syrië. Het gaat met een geweld gepaard dat huiveringwekkend is; er bereiken ons beelden van mensen die in het openbaar worden gekruisigd, gestenigd, de handen of voeten worden afgehakt en uiteraard worden de vrouwen weer eens verjaagd uit het straatbeeld, geknecht, gedenigreerd, rechteloos gemaakt. En hiertegenover komt nu alles wat zich Sjiitisch noemt te staan, inclusief Iran en het met veel Amerikaanse dollars opgerichte Iraakse leger. Burgers vluchten alle kanten op. Het moet daar angstaanjagend zijn.

Angstaanjagend was ook een woord dat Obama gebruikte in de afgelopen week. Hij had een aantal jongeren op bezoek in het Witte Huis. Het gesprek zou eerst gaan over studieschuld. Maar omdat er op een school in Portland iemand eerst een medeleerling en vervolgens zichzelf had gedood, ging het over hoe er elke week in het machtigste land ter wereld ergens op een school door een leerling om zich heen wordt geschoten. ‘We zouden ons moeten schamen. We zijn het enige ontwikkelde land waar dit gebeurt,’ zei Obama. De president zei zich te blijven verbazen dat het Congres geen nieuwe wapenwetten heeft aangenomen sinds de schietpartij in Newtown in december 2012 waarbij tientallen jonge kinderen omkwamen. 'Dit begint de norm te worden, en we beginnen het als onvermijdelijk te zien, wat voor mij als ouder angstaanjagend is.'

Obama gaf in zijn antwoorden toe dat het ook niet in zijn macht ligt om het wapengeweld onder controle te krijgen en de schietpartijen terug te dringen. Meerdere pogingen om het Congres zover te krijgen te stemmen over het inperken van wapens zijn stukgelopen. 'De meeste leden van het Congres zijn doodsbang voor de NRA.' De NRA is de machtige wapenlobby die blijkbaar aan alle touwtjes trekt en zorgt dat de oude mythe in stand blijft die zegt dat elke Amerikaan de wapens moet kunnen kopen om zichzelf te kunnen verdedigen.

Ook dit is een vorm van oorlog en niet te vergelijken met het virtuele slagveld waarop het voetbal zich afspeelt en zich als een sportwedstrijd laat volgen. Strenge regels, een team van scheidsrechters, camera’s die alle geniepige overtredingen vastleggen en toch ook een vorm van sportiviteit waar de meeste sporters prat op gaan, maken het spektakel in Brazilië tot iets dat zich in het echt afspeelt maar wat verder geen gevolgen heeft voor de levens van mensen, of het moet die ene keer zijn. Het betrof André Escobar, hij voetbalde voor Colombia in het toernooi van 1994 in de Verenigde Staten en maakte een eigen doelpunt. Na thuiskomst werd hij door een onverlaat vermoord in zijn geboorteplaats Medellín.

De schijnwereld van de sport kan dus ineens heel echt worden. Maar doorgaans niet. Dat geldt ook voor de wereld van het geloof. In de beeldtaal en de symboliek die hoort bij geloven, is het de bedoeling dat mensen het geloof ondergaan als iets innerlijk. En als je bang bent voor God, mag je ervan uitgaan dat God je heus niet straft voor een overtreding, en al helemaal niet onmiddellijk. Als je al op zo’n manier in god wilt geloven, als iemand die toekijkt en wellicht een keer toeslaat. Dat geldt het leven. Maar als je dood gaat? Dan kan bij sommige mensen de angst toeslaan en wordt geloof iets heel angstaanjagends. Mij trof een interview met Jan Siebelink in de NRC in het weekend na Hemelvaart. Siebelink is nu zesenzeventig, in goeden doen maar zich wel volkomen bewust van het naderende einde. Hij zou nu absoluut nog niet dood durven gaan. Ik citeer: ‘Ik ben er zo bang voor. Als jongen van vijftien kon ik al denken: ik loop hier nou wel, maar hoe lang nog?’ Sinds de dood van zijn vader over wie hij zo hartverscheurend mooi schreef in Knielen op een bed violen is hij ‘benauwd om straks geoordeeld te worden. Ik stel mezelf voortdurend bange vragen: heb ik de vreemdeling wel geherbergd? Heb ik de armen een aalmoes gegeven? Ik ben echt continu aan hert calculeren.’

En zo kan ook de wereld van het geloof die toch virtueel is, zou ik met een modern woord zeggen, namelijk zich afspelend in je geest en nergens anders, voor iemand heel echt, concreet en angstaanjagend worden. Ik vind Siebelink een groot schrijver die mij altijd weer verbaast om hoe hij de zielenroerselen van mensen weet aan te duiden en ontroert om zijn eerlijkheid. En dat zo iemand dan toch als een klein jongetje bang is voor een onzichtbare macht die hem een keer, als hij na dit leven ergens aankomt, zal oordelen en naar de hel zal sturen. Zelf vermoedt hij, aan het eind van het interview, dat hij ondanks al zijn gestoethaspel bij God wel een beetje kan rekenen op een gunstig oordeel, gezien alle inspanningen die hij zich getroost heeft om zoveel te schrijven: ‘Vooruit, laat hem naar binnen!’ Dat hoopt of verwacht hij te horen. Ik denk het ook wel. Maar ik zou willen dat geloof, christelijk of anderszins, minder met ingebeelde angst en meer met vrijheid en menselijke waardigheid te maken heeft. De echte wereld kent al genoeg angstaanjagende situaties waar we ons hoofd koel en ons hart warm bij moeten houden. Om de in het begin genoemde Bill Shankley te parafraseren: ‘Sommige mensen denken dat geloof een zaak van leven en dood is. Dat vind ik teleurstellend. Ik kan u verzekeren dat het een zaak van leven is, van mooi en menswaardig leven, en dat niet onze eigen dood maar de onnodige dood van anderen ons ter harte zou moeten gaan.’

Met muziek van Desplat en Lane/Vitarelli. Verder hoorde u muziek van Andriessen en het lied ‘Zonder maat is Gods erbarmen’ uit ‘Het liefste lied van overzee’. Gelezen werd uit de bijbel, Mattheus 6: 25. Het gebed kwam uit de bundel ‘Zeggen en zwijgen, oecumenisch gebedenboek voor alledag’ van Marcel Barnard e.a.

Terug naar overzicht…