God

Door Ds. Aart Mak

(Twee weken geleden, in de column getiteld 'Geweten', werd een foto gebruikt van een trouwambtenaar die, door de plaatsing in de column, ten onrechte geassocieerd kon worden met een weigerambtenaar. De foto is inmiddels verwijderd en ook op deze manier excuses aan iemand die dus geen weigerambtenaar is)

‘En niemand weet wat leven is, alleen dat het gegeven is - en dat van dit geheimenis, God het begin en einde is.’ Ik zeg dit nogal eens, met name bij uitvaarten. Ik houd erg van het woord geheimenis. Als we het over God hebben, dan moeten we altijd zeggen of ons op z’n minst bewust zijn dat God zich hult in een geheim. Niemand weet. Wij vermoeden. Ik geloof dat God ons te boven gaat en er al lang was voor ik geboren werd. Maar ik ben degene die het woord God uitspreekt, net als u wellicht, op uw eigen manier. En dan begin het dus ook bij jezelf. Vooral in jezelf. Zomaar iets zeggen geeft geen pas. Dingen beweren waar iedereen glazig bij gaat kijken heeft geen zin. In ons moet God aanwezig zijn. Als een geheim dat zich soms even laat zien. Zoals Oosterhuis ergens ooit schreef:

‘Vrienden, zullen we een afspraak maken over het woordje ‘God’? Kunnen we afspreken, dat we een stem bedoelen, als we bidden en zeggen: God? Welke stem? De stem die roept: Wie ben je? Waar is je broeder? De stem die zegt: Honger is diefstal, armoede is diefstal, die zegt: je zult de armen niet verarmen, de benige niet uitbenen; die zegt: vrees niet, het zijn maar mensen, ze zijn te ontmaskeren; de stem die tot uittocht dwingt, die het binnenste buiten keert, het onderste boven brengt; die zegt: wat lieg je, wie ben je? Ik hard het niet langer, ik kom. Er zijn mensen, die zeggen dat ze door die stem geraakt zijn. Geroepen. Losgewoeld uit staat en land. Ontworteld! Ergens heen. Naar iemand toe. Ze zijn onbruikbaar binnen de machtige systemen. Ze kunnen niet meer wonen in de oude orde, tussen mensen die hun goden omklemmen. Ze zijn rusteloos. Ze reiken altijd boven hun krachten, en kunnen niet anders. Kunnen we afspreken dat we die stem bedoelen, als we bidden en zingen ‘God’?’

Als een stem dus, een klop op de deur, een signaal dat herinnert aan een andere wereld. God als een stem, zo gek is dat nog niet gezegd. En tegelijk hopen veel mensen meer dan een stem te ervaren. Een kracht. Een hand die uitgereikt wordt, een schouder om op uit te huilen, een aanwezigheid die rust geeft. Iemand onzichtbaar die je helpt het vertrouwen niet te verliezen. Het zou wat zijn als dat waar was. Of misschien is het wel waar – ik zou het wel zeggen, maar is het voor veruit de meesten van ons niet ervaarbaar. Kun je geloven in wat je niet ervaart? Kun je God op zijn woord van aanwezigheid vertrouwen als je hem of haar niet voelt, al was het maar alleen dat ene moment dat je je zo alleen voelde. Er is een verhaal in de joodse verhaaltraditie dat daarover gaat. Ik vertel het: ‘Er was eens een leerling die aan zijn meester,  één van de grootste rabbijnen vroeg: ‘Hoe is het nu toch mogelijk dat iemand die in God gelooft en ook heel erg in God gelooft en ook vaak voelt dat God dichtbij is, ook in zijn leven meemaakt dat God ver weg lijkt?’ De grote joodse leraar zegt dan: ‘Als een vader zijn zoontje wil leren lopen zet hij dat joch eerst voor zich neer en houdt zijn eigen handen aan twee kanten dichtbij zodat dat kind niet valt. Zo loopt dat jongetje als het ware tussen de handen van zijn vader op de vader toe en de vader loopt achteruit. Zodra dat kleine kind dichterbij komt trekt de vader zich een beetje terug om maar dat kind te leren zelf te lopen. Zo kun je het ook zien, bij de Eeuwige. Ook al heb je een vader, soms lijkt en voelt het alsof die jou in de steek laat en ver weg is. Nee, hij is jou aan het leren lopen!’

Troost zo’n verhaal? Misschien. De een wel, de ander niet. Niet alleen God maar ook elk verhaal over God is en blijft een geheimenis. En toen ik op 14 mei met vele anderen aanwezig was bij het afscheid van een te vroeg overleden collega in Heemstede, las ik weer wat hij in allerlei toonaarden vaak had gezegd: ‘Door mensenhanden ervaar je God.’ Die uitspraak paste in elk geval erg goed bij Frits Kok, zo heette mijn collega. Hij behoorde tot die zeldzame mensen die veel van anderen kunnen dragen en verdragen en zo iets laten zien van de liefde en het geduld van de eeuwige God. Laat ik wat ik te zeggen heb in dit Goede Begin mogen eindigen met u uit te nodigen te luisteren naar een tekst van Stef Bos. Hij noemde het ‘Het Lied van God’ en het is als het ware een terugblik van God op zijn leven tot nu toe. De titel is: Wat ik niet ben. Het lied is een omweg om iets te zeggen wat wezenlijk en waardevol is:

Nu ik terugkijk op mijn leven / Met nog een eeuwigheid te gaan
En ik zie wat voor ellende / Zich heeft voltrokken in mijn naam
Verlang ik terug naar het begin / Toen ik door niemand werd herkend
Want er wordt veel van mij gemaakt / Wat ik helemaal niet ben

Nee ik heb niemand uitverkoren / Wat er ook geschreven staat
Het is allemaal verzonnen / Door wie zijn voordeel er mee haalt
En ik heb niets tegen de joden / Het is een volk met veel talent
Maar ook zij maken iets van mij / Waar ik mezelf niet in herken

Als ik alles moet geloven / Wat er van mij wordt gezegd
Ben ik heiliger dan heilig / En slechter dan slecht
Ik ben een speelbal / In de verbeelding van de mens
Ze maken iets van mij / Wat ik meestal niet ben

Ik ben de liefde wordt gezegd / Gewapend tot de tanden
De pispaal voor de een / De richtlijn voor de ander
Ik voel me eenzaam en onzichtbaar /Al ben ik ook bekend
Er is teveel van mij gemaakt / Wat ik helemaal niet ben
Ik zal u zeggen wie ik ben:

Ik ben de wolken en de wind / Het vuur dat eeuwig brandt
Ik ben de stroming / De zee
Ik ben het grenzeloze land / Onvoorspelbaar
Ik ben niet wat je denkt / Er is teveel van mij gemaakt
Wat ik helemaal niet ben

Ik ben de opium voor het volk / Door filosofen doodverklaard
En ik heb een plaatsvervanger / Waar ik nooit om heb gevraagd
Ik ben de oorzaak van de oorlog / De schrijver van een boek
Ik ben het heilige excuus / Voor wie naar moeilijkheden zoekt

Ik heb meer gevoel voor humor / Dan de meeste mensen denken
En zij die zeggen mij te volgen / Nemen alles veel te ernstig
Zelfs dit lied zal vrijwel zeker / Als blasfemie worden bestempeld
En al zing ik het ook zelf / Dan wordt het nog ontkend
Alsof ik niet weet wie ik zelf ben / Ik zal u zeggen wie ik ben

Ik ben de wolken en de wind / Het vuur dat eeuwig brandt
Ik ben de stroming / De zee
Ik ben het grenzeloze land / Onvoorspelbaar
Ik ben niet wat je denkt / Er is teveel van mij gemaakt
Wat ik helemaal niet ben…

Met muziek van Desplat en Lane/Vitarelli. Verder hoorde u ;God’ van Stef Bos en muziek van Locatelli. Gelezen werd uit 1 Samuël 3: 9-11. Het gebed kwam uit de bundel ‘Zeggen en zwijgen, oecumenisch gebedenboek voor alledag’ van Marcel Barnard e.a..

Terug naar overzicht…