Vloek

Door Ds. Aart Mak

Het is dit weekend carnaval. Ik heb er nooit aan meegedaan en ik zal het ook wel nooit doen. Kwestie van niet mee opgegroeid zijn en onbekend maakt onbemind. Ik kan me ook niet heugen dat mijn ouders vroeger stonden te juichen als ik naar de kermis wilde gaan. Integendeel, het werd mij verboden en later ten stelligste afgeraden. Dat was plat vermaak. Daar kreeg ik geen zakgeld voor. Als ik dan toch ging werd ik niet vervloekt, zo oudtestamentisch was mijn opvoeding nou ook weer niet, maar ik moest de gevolgen wel zelf dragen. Welke gevolgen, vroeg ik dan. Dat zou ik wel merken, zei mijn moeder. Ik kreeg de indruk dat er meer dreigde te gebeuren dan alleen maar een lege portemonnee. Zou het  gaan over verkeerde vrienden? Of over een glijdende helling? En zou ik misschien als een onverschillig stuk vlees eindigen, niet gevoelig voor het verschil tussen recht en slecht? Nu ik erover nadenk besef ik dat er in mijn opvoeding vaak sprake was van suggestieve opmerkingen. Er kon van alles gebeuren, ten goede en ten kwade. Het hing in de lucht en kon zo op je neerdalen. Dat gold zeker, in mijn herinnering, als ik volwassen mensen boos hoorde zeggen dat ik niet mocht vloeken. Dat deed ik dan onnadenkend wel eens. Vloeken was een van de ergste dingen die je kon doen, zeiden ze. Dan zou er wat met je gebeuren. Maar wat dan? Bliksem uit de hemel? Een enge ziekte? Of allerlei tegenslag de rest van je leven?

Ik werd hieraan herinnerd toen iemand mij belde en we spraken over het kennelijke feit dat een hele familie ergens erfelijk belast is. Concreter gezegd, het ging om suïcide en hoe vaak dat al voorgekomen was in zijn familie. Volgens een predikant moest er sprake zijn van een vloek, gezien zijn hardop uitgesprokene gebed: ‘Here, verbreek toch die vloek!’ Griezelig eigenlijk, bedacht ik. Ik herinner me een familie waarin in de manlijke lijn hemofilie voorkomt, een erfelijke stoornis in de bloedstolling die dodelijk kan zijn. Ook de beruchte taaislijmziekte is erfelijk. En ja, men zegt dat verslavingsgevoeligheid, voor alcohol bijvoorbeeld, ook van de ene generatie op de andere kan worden doorgegeven. Maar de drang tot suïcide, is die erfelijk? Het huidige antwoord luidt ongeveer dat er psychologische en omgevingsfactoren zijn, uiteraard, maar ook biologisch determinanten. Misschien dus erfelijk. Maar nu kom ik terug op mijn eerdere vraag: kun en mag je dan spreken van een vloek? Dat is namelijk een woord met een religieuze lading, alsof er sprake is van opzettelijk ingrijpen van hogerhand, zoiets als wat staat geschreven over de zonde der vaderen die bezocht wordt aan de kinderen tot in het derde en vierde geslacht.

Ik merkte door dit gesprek dat de begrippen vloek en vervloeking voor mij tot een voorbije tijd zijn gaan behoren. Eigenschappen kunnen worden overgeërfd, mensen kopiëren het gedrag van anderen, uiteraard vooral kinderen bij wat ze zien van hun ouders, bepaalde ziekten, lichamelijk en geestelijk, zijn soms familiaal, maar wat God hiermee te maken heeft? Ik loop hier zo nu en dan over te peinzen. Als er zegen bestaat, moet er toch ook vloek zijn, zegt een stem in mij. Is zegen dan meer dan geluk, zoals een vloek meer is dan alleen pech? En ik voel ook dat wij in de moderne tijd waarin we van alles hebben onttoverd, ook diepgang zijn kwijtgeraakt, een besef dat er soms meer aan de hand is, ten goede of ten kwade. Maar dat een kind de gevolgen draagt van wat vader of moeder is overkomen, kan misschien wel zo zijn, maar elk oordeel daarover lijkt mij misplaatst. Je kunt een kind ook niet aanrekenen wat de ouders hebben misdaan, dat lijkt mij moreel evident. En ik voeg daar graag aan toe dat het enig godsdienstig relevante dat hierbij past, m.i. is de manier is waarop de man uit Nazareth zijn medemensen elke keer weer losmaakte van de ketting aan ziekte en zonde die soms al van jongs af aan op hen drukte. Zijn bedoeling lijkt mij duidelijk: wees geen slaaf van het verleden maar word kind van de toekomt, ook al liggen er nog stapels werk, ook uit het verleden, op je te wachten. En vooruit, nu is het carnaval.

Een zoon hoeft niet te boeten voor de schuld van zijn vader. Elk mens wordt geoordeeld naar zijn eigen daden. En de dood van een mens geeft niemand enige vreugde. (naar Ezechiël 18)

 

 

 

 

 

Terug naar overzicht…