Doping

Door Ds. Aart Mak

Ook als u weinig met sport op hebt en helemaal niets met wielrennen en de Tour de France, wil ik u toch vragen even naar me te luisteren als ik mijn gedachten over wat er laatstelijk gebeurd is, uiteenzet. Er is in mijn ogen sprake van een tornado die nu het totale landschap van de sport omwoelt. Het draait allemaal allereerst om een man, Lance Armstrong, Amerikaan, de enige man die zeven keer als winnaar van de Tour in Parijs werd gehuldigd werd en naar nu als vrijwel zeker mag worden aangenomen, dat deed door doping. Een rapport van duizend pagina’s, uitgebracht door het Amerikaanse antidopinggezelschap Usada, onthult dat. En het gaat niet over hem alleen, meerdere renners in zijn ploeg worden genoemd, zo ze zelf al niet eerder bekend hebben. Het zijn renners die ook in andere ploegen functioneerden. Er wordt ergens een tegel gelicht en overal gaat het plaveisel nu scheuren en hele gaten vertonen. Doping blijkt nog intenser, slimmer en georganiseerder toegepast te zijn dan we al dachten of vermoedden. Toen Tommy Simpson op de flanken van de Mont Ventoux in 1967 om het leven kwam door doping, een zonnesteek en overmatige inspanning, werd hij n og gezien als slachtoffer en schlemiel. Lance Armstrong die het bewust, georganiseerd en ingenieus deed, heeft niet alleen de sport maar ook de mensheid een slechte dienst bewezen. 

Doping is in feite de eeuwenoude poging om een kunstmens te maken. Een mens die sterker is, harder kan werken, meer uithoudingsvermogen heeft en alsmaar kan doorgaan. Het doet denken aan het oude verhaal van de golem, een mensfiguur gemaakt van klei die door een rabbijn tot leven werd gewekt. Verschillende schrijvers hebben over deze meestal angstwekkende figuur geschreven. Ook kun je denken aan het met name door de filmindustrie beroemd geworden monster van Frankenstein. Het verhaal komt bij de Engelse schrijfster Mary Shelley vandaan, in een boek dat Frankenstein heet en de veelzeggende ondertitel heeft: Moderne Prometheus. Over kunstmensen en uit de hand gelopen projecten gesproken. Met de jonge kinderen kon ik vroeger ademloos kijken naar de films over Robocop. Dat ging over het Chicago van de toekomst waar de politie in handen was van een particulier bedrijf. Als een politieman wordt overhoop geschoten door zware criminelen, maakt dat bedrijf van wat over is een mensmachine, Robocop. Deze is in staat veel meer te doen dan een mens kan doen, maar de grote vraag is: zit er nog een mens in deze stalen reus?

Op stand.nl van de NCRV was er donderdag een flinke discussie over de onthulde doping. Sommige mensen waren boos dat hun sportidolen zo werden aangepakt. Ze waren als kinderen die niet willen weten dat Sinterklaas eigenlijk een gewone man is met een rood pak en een kunstbaard. Anderen vonden dat iedereen maar moest doen wat hij wilde. Sport als terrein waarop alles mag worden uitgeprobeerd, inclusief middelen die een mens te gronde richten. De meesten waren gelukkig zowel verontwaardigd als blij dat deze groezelige ellende nu eens aan het licht kwam. Het aantrekkelijke van sport is namelijk is dat ieder gelijke kansen heeft. Dat het gaat om een krachtmeting tussen mensen die niet sluiks een of andere voorsprong hebben genomen. Gelijke start. En zo kan de arme ook een keer winnen van de rijke – als u nu zoekt naar een mooi bijbels motief, dan hebt u het bij deze. Echte sport is, net als het gewone leven, ook nogal eens een kwestie van pech of geluk. Je doet er alles aan, je traint je wezenloos maar je hebt het uiteindelijk niet onder controle. Toegestane doping zou een vrijbrief zijn voor de ploeg met het meeste geld en voor de mens die met zijn leven speelt. We moeten niet willen dat de vraag boven sport blijft hangen wat nog menselijk is en wat uit een flesje komt. Als we doping accepteren, kunnen we net zo goed overgaan tot het implanteren van een kunsthart dat sneller klopt en meer bloed rond stuwt dan een eigen hart! En waarom geen extra derde kunstlong? Even terzijde. Ik heb in september ook met een half oog gekeken naar de Paralympische Spelen. Daar is ook sprake van allerlei attributen en hulpstukken bij gehandicapte mensen. Maar hier is misschien wel het meest sprake van echte sport. Met een handicap, met een verminking toch alles eruit halen om, net als in het gewone leven, weer te kunnen wedijveren met anderen. Dat gebeurt in die tak van sport vrijwel altijd nadat iemand zichzelf eerst heeft overwonnen.

De oude Grieken gebruikten de sport om elkaars krachten te meten. De stadstaten die vierjaarlijks hun atleten afvaardigden voor de Olympische  competities, vochten op dat moment in elk geval niet met elkaar. Sport in de moderne tijd is nog steeds een manier om je te ontwikkelen, te leren wat vechten met jezelf is, met anderen de strijd aan te gaan, te voelen wat het is om te winnen en evengoed hoe het is om te verliezen. Dat is karaktervormend. Sport is daarom vooral amateursporten, dat wat elke weekend overal wordt gedaan en beleefd en door de week op allerlei avonden wordt uitgezweet. En dan is er ook nog de grote sport, het samen kijken en meeleven in een stadion of achter de buis, het mee juichen en mee huilen, de ontroering en de bewondering. Hier speelt de oude mythe van de held, maar ook van de eeuwige tweede. Hier gaat het over het winnen in de allerlaatste minuut en het verliezen buiten je schuld. Dat zijn allemaal levensthema’s die we collectief via de sport beleven. Nu ging er een beerput open. Een strakke, goed ogende Amerikaan die eerst nog vocht tegen de kanker, blijkt een bedrieger eerste klas te zijn en met hem een hele ploeg en wie weet hoeveel meer mensen. Het waren in feite kunstmensen die spullen slikten die hen bovenmenselijke krachten gaven. Net als indertijd de sporters van de DDR. Ik hoorde pas Yvonne van Gennip verzuchten hoe zij en haar generatie schaatssters nooit konden winnen van hun Duitse collega’s Karin Kania en Andrea Schöne. Op die ene keer na dan, toen zij in 1988 in Calgary drie gouden medailles won.

Tenslotte. Toen ik voor het eerst, jaren geleden, hoorde van doping, dacht ik dat het ging om dopen. Wist ik veel. Nu bedenk ik dat ook de doop geen sporen achterlaat, dat beetje water dat je bij een kind of volwassenen over het hoofd sprenkelt, is zo opgedroogd. En als het goed is, kan een gedoopt mens dat ook werkelijk in zijn doop gelooft, beter met het leven omgaan. Want je geloof is immers dat je het niet allemaal op eigen kracht hoeft te doen. Er was ooit die psycholoog met een tweeling. De ene liet hij dopen, de andere niet. Later zei hij dat hij het verschil niet zag. Maar deze man had niet in de gaten dat de christelijke doop niet een kunstje is dat van een gewoon mens een bijzonder mens maakt. In het christendom gaat het er juist om dat mensen meer zichzelf mogen worden, bijzonder zijn zonder moeite te hoeven doen en applaus krijgen, ook als ze niet als eerste over de meet komen. Dat is totaal wat anders dan de übermensch die door doping wordt geconstrueerd. 

Met muziek van Desplat en Lane/Vitarelli. Verder hoorde u muziek van Purcell en van Elgar, het Ave Verum. Gelezen werd uit 2 Timotheüs 4: 3-5. Gebeden werd uit ‘Bij gelegenheid (II)’ van Sytze de Vries.

 

Terug naar overzicht…