Generaties

Door Ds. Aart Mak

Het is 14 april. Terwijl de drukte rond het afscheid van de oude koningin en de inhuldiging van de nieuwe koning hand over hand toeneemt, proef je toch ook door alles heen hoe wij in Nederland weer met de oorlog bezig zijn. Het gaat elk jaar weer zoals Leo Vroman het ooit zo ongehoord mooi opschreef. De oorlog is dan wel over, maar we herhalen honderd malen de verhalen hoe hij is verdwenen: ‘En alle malen zal ik wenen’. Ook mensen van na de oorlog, zoals ik, blijven ermee bezig. Deze verschrikkelijke gebeurtenissen, in Europa en wat toen nog Nederlands Indië heette, zijn als een jaarlijks weerkerend virus in ons bloed gaan zitten. Ik las dat de verwerking van de oorlog daarvoor, de Grote Oorlog waar Nederland geen deel aan had maar de ons omringende landen des te meer, nu pas, een eeuw later, zo ver is dat er niet meer in tegenstellingen wordt gedacht. De soldaten van de tegenpartij zijn mensen geworden, met dezelfde angsten en dezelfde verliezen.

Zover is het nog lang niet bij de Tweede Wereldoorlog. De Jappen en de Moffen roepen bij velen nog steeds bitterheid en woede op over wat zij gedaan hebben. De kampen, de honger, de vernedering, het wegvoeren en vernietigen van weerloze mensen. Terwijl de Duitsers en de Japanners schuld hebben betuigd, de laatsten moeizamer en trager dan de eersten, en zich weer geschaard hebben in de rij van beschaafde volken, blijft het oorlogsverleden in de harten van velen doorspelen. Zijn mensen dan haatdragend? Het antwoord is waarschijnlijk van niet. Iedereen wil op een gegeven ogenblik weer doorgaan met het leven. Haat verteert. Er moet weer samengewerkt worden. En kinderen mogen niet verantwoordelijk gesteld worden voor wat hun ouders deden. Maar hier zit wel de crux. De kinderen zijn besmet. Door ouders en hun onvermogen om de verschrikkingen die ze meemaakten een plek te geven. Van mensen die in de kampen van de Japanners hebben gezeten en daar vreselijke dingen meemaakten, is bekend dat ze zwegen en vol heimwee naar het verloren paradijs van voor 1942, hun leven weer probeerden op te pakken, hier in Nederland, waar ze ook moesten zwijgen van de anderen. Die hadden de Duitsers meegemaakt en wilden weer niet horen van wat in de tropen had plaatsgevonden. Die zwijgende ballast torsen de kinderen en soms zelfs de kleinkinderen van zulke ouders tot op de dag van vandaag met zich mee.

Ik denk aan familietaferelen zoals Willem Elsschot die ooit beschreef in zijn donkere gedicht over het huwelijk: ‘Zo gingen jaren heen. De kindren werden groot / en zagen dat de man die zij hun vader heetten, / bewegingsloos en zwijgend bij het vuur gezeten, / een godvergeten en vervaarlijke aanblik bood.’ Dit zwijgen moge dan een andere oorzaak hebben, het is even dreigend en vervaarlijk voor aanstaande volwassenen. Vaders van de vooroorlogse en van de stille generatie – de indeling is van sociologen en het betreft degenen die tussen 1910 en 1940 werden geboren -, zijn vaak geen sprekers. Ze hebben maar enkele woorden. ‘Kom aan tafel.’ ‘Eet.’ ‘Houd je stil.’ ‘Wat moet je nu weer?’ hun woordgebruik kent weinig variaties. Moeders hebben meer woorden, ook al zeggen ze met die woorden niet veel. Ze praten soms alleen maar vanwege de warmte die de woorden verspreiden, om de stilte te verdrijven en het kind gerust te stellen. Als de volwassene later op zijn jeugd terugkijkt, herinnert hij zich vaak een zwijgende vader en een zorgende moeder.

Anderhalf jaar geleden ongeveer las ik het boek Parnassia. Het gaat over een klein joods meisje dat kon onderduiken bij een christelijk gezin in Zeeland. Haar nieuwe ouders, een domineesgezin zonder kinderen, betrekken haar bij alles waar zij in geloven. Na de oorlog komt haar joodse vader terug – hij heeft de hel overleefd -, om zijn kind op te halen. Dat gebeurt niet. Toentertijd was het zelfs regeringsbeleid dat het beter was voor ondergedoken joodse kinderen te blijven bij hun onderduikouders. Als volwassen vrouw zal deze vrouw nog lang blijven ontkennen wie zij echt was, met alle desastreuze gevolgen voor het gezin dat ze sticht. Een mens kan niet ongestraft zijn schaduwen ontkennen. Haar inmiddels volwassen dochter leidt haar oudere moeder tenslotte stap voor stap, in gesprekken aan het strand, bij Parnassia, tot een verwerking van haar mislukte leven en zelfs tot de erkenning van wie ze echt is. De schrijfster van dat boek, Josha Zwaan, ontmoette ik afgelopen donderdagavond toen zij een nieuw boek presenteerde, Zeevonk. In feite gaat het in dat boek over hetzelfde thema. Het gaat over een moeder die zwijgt over de vreselijke tijd in het Jappenkamp en over een vader die kort na terugkeer van zijn deelname aan de politionele acties sterft en daarmee zijn dochter met raadsels achterlaat.

Ergens in de bijbel staat dat de zonden der vaders bezocht worden aan hun kinderen, tot in het derde en vierde geslacht. Rekeningen worden niet zomaar vereffend. Traumatische gebeurtenissen trillen door tot in de klein- en achterkleinkinderen. Je vader kan een moordenaar zijn geweest. Maar evengoed een verzetsheld. Of een lafaard. Ook op het oog brave en saaie mensen kunnen afgronden herbergen in hun ziel. En zelf, volwassen inmiddels, worden wij ook weer vader of moeder van een kind. Er zijn allerlei psychologische methoden ontwikkeld om de verstrengeling der generaties te ontwarren, helderheid te scheppen over onmacht en schuld, en om te onderscheiden tussen wat van de ander is en wat bij jou hoort. Wij zijn allemaal van onszelf, maar voordat we dat kunnen zijn, zullen we eerst moeten aanvaarden wat we aan bagage en ballast van de mensen voor ons meedragen. Is er dan kans op een nieuw begin? Ja. Dat is het wonder dat zich ook Goddank in ons leven voltrekt. Na elke oorlog komt er ook weer vrede. Na een woest zwijgende vader kan een zachtaardig en innemend sprekende zoon komen. Hetzelfde geldt voor moeders en dochters. Een van de grote wendingen die een mens zelf kan voltrekken, vindt gelukkig regelmatig plaats. Dat is dat een nieuwe ouder besluit zijn kinderen niet mee te geven wat hij zelf van zijn ouders heeft meegekregen. Met andere woorden: wat gij merkt dat u als kind is geschied, doe dat die ander, uw eigen kind, niet aan. In die zin is ware godsdienst, datgene waar m.i. de grote joodse profeten en Jezus voor stonden, een voortdurend appèl om tevoorschijn te komen en verantwoordelijkheid te dragen, ook voor wat de generaties voor jou je ongevraagd hebben meegegeven. In plaats van te blijven klagen over wat hem is aangedaan, kan een mens zich verheffen en besluiten anderen niet verder te infecteren met wat hem is overkomen aan zwijgen, liefdeloosheid, slaag, uitsluiting of andere vormen van geweld. Zo’n wending is mogelijk. Dit zou ook wel eens opstanding kunnen betekenen. Een gewond lichaam, uit de dood verrezen. Pijn die is overwonnen, juist door de pijn te erkennen.

Met muziek van Desplat en Lane/Vitarelli. Verder hoorde u muziek van Arvo Pärt en gezang 301 uit het Liedboek van de kerken. Gelezen werd opnieuw uit Johannes 20: 26-27. Het gebed kwam uit de bundel ‘Zeggen en zwijgen, oecumenisch gebedenboek voor alledag’ van Marcel Barnard e.a..

 

Terug naar overzicht…