Vasten

Door Ds. Aart Mak

Hebt u al een boterham minder gegeten vanmorgen? Of misschien laat u vanavond uw gebruikelijke glaasje wijn achterwege? Het zou ook kunnen dat u de komende weken geen snoep in huis haalt – en ook geen koekjes bij de thee en koffie serveert. We zijn aangeland in de vastentijd. Afgelopen woensdag was het Aswoensdag en deze zondag is de kleur paars in alle kerken dominant, de kleur die duidt op een tijd van voorbereiding en inkeer. In de protestantse kerken noemen we die tijd alweer enige jaren veertigdagentijd. Dat duidt op de veertig dagen die te gaan zijn tot en met Pasen. En die dagen breng je niet zomaar door. Je zoekt, net als Jezus letterlijk deed, zelf ook als het ware de woestijn op en je gaat eens na of jij zelf nu wel of niet van brood alleen leeft. Dat verhaal zal vandaag weer in vrijwel alle kerken worden gelezen en uitgelegd.

Maar dat was vroeger dus anders. Toen deden de gereformeerden en hervormden niet aan een kleurtje in de kerk, noemden ze de tijd voor Pasen gewoon lijdenstijd en ging het de volgelingen van Calvijn uiteindelijk allemaal om Goede Vrijdag, de dag dat Jezus Christus stierf aan het kruis, om onze zonden. Intussen maakten de katholieken, hoewel je eigenlijk moet zeggen, dat weet ik ook wel, de rooms-katholieken, er in gereformeerde ogen een potje van. Dat potje was een goed woord, want in hun lijdenstijd die ze geen lijdenstijd maar vastentijd noemden, hadden de katholieke kinderen thuis een potje of trommeltje waarin ze alle snoep dat ze in die tijd wel kregen maar niet mochten eten, bewaarden voor betere tijden. Die betere tijden braken uiteraard aan met Pasen. Iemand als Godfried Bomans schreef hierover ooit een prachtig ingehouden verhaal. Protestantse kinderen bekommerden zich bij mijn weten niet om wel of niet snoepen. Ik herinner me ook nog goed dat er een dag kwam dat ik ontdekte dat de roomse kinderen op vrijdag altijd vis aten. Ik begreep er niets van. Tot mijn vader uitlegde dat dit was omdat zij een keer in de week vastten en dat ze dan geen vlees aten. Toen ik, zoals alle niet-katholieke kinderen van mijn generatie, opmerkte dat je de vis toch ook niet at om zijn graten alleen, merkte mijn vader op dat dit nu typisch rooms was. Ik begreep dat toen niet. Later ontdekte ik hoeveel gereformeerden een beetje jaloers waren op de katholieken omdat die van alles niet mochten maar het er stiekem toch lekker van namen. En als ze dat niet stiekem deden, denk maar aan het carnaval, die kolderieke dagen wanneer niemand even zichzelf hoeft te zijn en de dwaasheid van het leven uitbundig gevierd wordt, hadden de meeste hervormden en ongetwijfeld alle gereformeerden ook weer hun oordeel klaar: ze fantaseerden net als de oudste thuisblijvende zoon uit de gelijkenis dat de feestvierders het met allerlei vrouwen deden en dat losbandigheid dus troef was. Lekker makkelijk geloof, zeiden de protestanten dan, eerst de beest uithangen, dan alles opbiechten en daar ga je weer vrolijk verder met je onnadenkende, gemakzuchtige geloof!

In deze tijd waarin de kerken als instituten die het leven bepaalden nauwelijks nog in tel zijn en waar de vanzelfsprekendheid van het christelijke geloof in elk geval bij de jongere generaties ver te zoeken is, zijn ook deze oordelen, ontstaan door een scheiding der geesten, onderhevig aan grote veranderingen. Je zou zelfs kunnen zeggen dat, nu de traditie en de geloofsleer die ooit stonden als een huis, voor de volgers veel minder opgeld doen, het heil veel meer in de praktijk wordt gezocht. Al sinds de jaren ’70 gaan in de echte linkse kerk stemmen op om ook aan vasten te doen. Dat is dan eerder vanwege de overdaad aan voedsel in de wereld en de armoede dichtbij huis. We spraken in die tijd over de noodzaak van een nieuwe levensstijl. Ook dat is allemaal weer vervaagd, maar wat wel gebleven is, is een algemeen bewustzijn in de hele maatschappij, dat er iets mis is met de manier waarop we voedsel genereren en vooral ook met hoe wij het voedsel verdelen. Bovendien kennen we allemaal de afschuw die ons bekruipt vanwege de overdaad. In ziekenhuizen werd de helft van het voedsel weggegooid, tot iemand op het lumineuze idee kwam om de patiënten van tevoren te vragen wat ze wilden eten. Dat scheelt, blijkt nu, bijna alles. En wat ook in veertig jaar tijd echt veranderd is, is het algemeen toegenomen overgewicht. In het grote land aan de aan de andere kant van de Atlantische Oceaan schijnt dat enorm te zijn, maar ook hier kennen we het snelle voedsel, de fastfood, als een van de grote boosdoeners en velen kennen het geworstel met diëten om het gewicht binnen de perken te houden.

Kortom: zo gek is het niet om na te denken over wat je wel of niet eet en doe dan ook gelijk ook maar hoeveel je eigenlijk drinkt. Het stempel van de werkheiligheid dat gereformeerden en hervormden vroeger allerlei dagelijkse rituelen opdrukten, geldt dan ook niet meer. Want of je nu wel of niet door God wordt aangenomen, door goede werken of enkel door geloof - de grote vraag van Maarten Luther, is nou niet een vraag waar de meeste gelovige mensen van wakker liggen tegenwoordig. Wij zijn eerder bezorgd over onze medemensen en waar het naar toe moet met deze wereld. En als er dan ook nog eens een miljoen moslims in ons midden zijn gekomen die elk jaar zo’n vier weken tussen zonsopgang en zonsondergang niet eten en drinken, moet je toch wel een hele steil gereformeerde houten klaas zijn om je aan alle uiterlijkheden te willen onttrekken. Kortom: ik voorzie dat de minderheid die het christendom nu is gaan vormen in dit land, over niet al te lange tijd en masse op woensdag het askruisje haalt, hoort zeggen ‘Gedenk, o mens, dat je stof bent’ en vervolgens op allerlei manieren, bij de maaltijd en ook in tijdsbesteding, de pas inhoudt. Het christelijk geloof mag op een bescheiden manier best wat zichtbaarder worden in deze samenleving. Al die christelijke gelovige binnenvetters doen er misschien zelfs wel goed aan te laten zien dat geloof ook gezond kan zijn. Een gezonde geest in een gezond lichaam, nietwaar. Vergelijk het ontslakken van je ingewanden gerust maar met de bede tot God om je zonden te vergeven.

Mijn moeder zei vroeger, als ik vroeg waarom wij niet aan vasten deden, dat wij het hele jaar al sober aten en leefden. Daar had ze gelijk in, er was weliswaar genoeg maar het was jarenlang heel sober in haar grote gezin. Maar ook zij en wij overigens haast allemaal zijn ingehaald door de tijd. Je hoeft maar een supermarkt binnen te lopen om te beseffen hoe rijk de meesten van ons zijn geworden. En als het veertig dagen lang geen alcohol drinken of een boterham zonder boter eten ertoe leiden dat allerlei mensen weer nadenken over onze soms o zo dwaze manier van leven, is dat een liefdevollebijdrage van een oud geloof. En ja, ook die liefde, u weet wel, van het rijtje geloof, hoop en liefde, gaat merkwaardigerwijs soms door de maag ...

Met muziek van Grieg aan het begin (Holberg Suite) en Rachmaninoff aan het eind (einde 1e deel van zijn 2e pianoconcert). Verder hoorde muziek van Charpentier en gezang 175 uit het Liedboek van de kerken. Gelezen werd uit Matteüs 6: 16-18. Het gebed kwam uit een oud nummer van het tijdschrift Open Deur.

 


 

Terug naar overzicht…