Trampolinedoek

Door Aart Mak

Het is nu ongeveer een eeuw geleden dat Albert Einstein zijn relativiteitstheorie onthulde. Dat betekent o.a. dat niets vastligt. Alles is relatief. De ruimte dijt uit, de tijd kan vertragen of versnellen en als je de lichtsnelheid overschrijdt, dan zou je zomaar in een andere tijdsdimensie terecht komen. Die lichtsnelheid is overigens zo hoog, 300.000 kilometer per seconde ofwel ruim een miljard kilometer per uur, dat er voorlopig geen beginnen aan is om dat te bewijzen. Maar wat mij vooral zo fascineert is dat wij nu een eeuw later leven – Einstein kwam in 1905 voor het eerst met zijn theorie op de proppen - en dat nog steeds het gros der mensen ervan uitgaat dat de zwaartekracht een onzichtbare kracht is waarmee massa’s elkaar aantrekken. Nee, zei Einstein, de ruimte wordt beïnvloed door een massa en daardoor trekt die ruimte een beetje krom. Denk aan een groot, strak gespannen doek, bijvoorbeeld van een trampoline, waar iemand op gaat staan. Het doek zal een deuk vertonen op de plaats waar die persoon staat en mocht er al iemand elders op dat trampolinedoek staan, dan loopt deze kans naar die eerste persoon toe te bewegen omdat het doek niet meer recht is. Zo zorgt elke massa, een ster, een planeet, een maan, maar ook een mens, de ruimte een beetje scheef waardoor andere voorwerpen naar hem toe rollen.

Nu hadden de natuurkundigen al veel eerder gedacht wat zij de afgelopen week eindelijk konden bewijzen. De ruimte kan ook trillen. Bij een enorme botsing in de ruimte – tussen twee sterren bijvoorbeeld – gaat er een schokgolf door de ruimte. Net als een steen in het water een kring van uitdijende golfjes veroorzaakt, gebeurt dat ook met de ruimte waarvan wij denken dat ruimte niets is, een grote ledigheid. Wij gingen er altijd wel vanuit dat het licht en andere elektromagnetische straling door die ruimte heen kan gaan. Maar er is dus ook iets anders gaande, de ruimte is een voor ons onzichtbaar trampolinedoek dat verandert, scheeftrekt en trilt. Er bestaat dus een onbegrijpelijke beïnvloeding over en weer van al die massa’s die zich waar dan ook in de ruimte bevinden. Ik vertel dit allemaal omdat het mij van kindsbeen af al fascineert, dat vooral natuurlijk. Maar dit verhaal is voor mij vooral een bevestiging dat wij mensen vaak geen idee hebben van de ruimte, letterlijk en figuurlijk gesproken, waarin wij ons bevinden en hoe alles invloed heeft op alles.

Ik ben een theoloog en dat betekent dat ik me bezig houd met oude tradities die zeggen dat er een andere dimensie bestaat die wij goddelijk noemen en dat er vanuit die andere dimensie invloed wordt uitgeoefend op het leven hier op aarde. In drie godsdiensten gaat men er vanuit dat het hier om één god gaat, in andere religies wordt gesproken van meerdere goden of krachten. Nu is het zo dat die menselijke vermoedens – we noemen dat geloof – grotendeels verwoord staan in oude geschriften, de zogenaamde heilige boeken – waarin mensen dit goddelijke krachtveld proberen te omschrijven in een soort symbolische taal. God is als de zon. Of als het vuur dat niets verteert. Maar de mensen die dit opschreven waren wel kinderen van hun tijd, met een totaal ander idee van aarde, zon, maan en sterren, van alles in feite wat om ons heen is. En daar zit dus het probleem. Veel gelovigen, of ze nu hier in Nederland wonen of in Nepal of in Turkije, kunnen zich bij god nog steeds weinig anders voorstellen dan de manier waarop mensen zich eeuwen geleden iets bij god voorstelden. En dat wordt, in een wereld waarin de wetenschap niet alleen veel mogelijk maakt maar ook nieuwe samenhangen ontdekt, een steeds grotere spagaat, als je niet uitkijkt.

Dat is de reden dat in de moderne theologie zoveel moeite wordt gedaan om god en de goddelijke dimensie van dit leven anders ter sprake te brengen dan op de klassieke manier waarop god boven de wolken troont en hij alles op almachtige wijze bestuurt. Wie wil lezen hoe een mens afscheid neemt van zo’n klassieke god, raad ik aan de laatste gedichtenbundel van Joost Zwagerman, Wakend over God, te lezen. Hier, in deze Binnenkamer, wil ik afsluiten met de gedachte dat dit natuurkundige bewijs van de rimpelende ruimte afgelopen week mijn collega’s en mij weer huiswerk geeft. We moeten niet blijven steken in die oude voorstellingen en ideeën van bijbelschrijvers die zeggen hoe de wereld in elkaar zit. Mijn advies: zoek de kern van wat zij in hun taal willen zeggen: een mens kan veranderen, toeval bestaat niet en als je wilt, is alles mogelijk. Dan zullen theologen als ik de flair moeten hebben om, samen met de sprongen die de natuurkunde en andere wetenschappen maken, ook in de theologie stappen te zetten: zo over god praten dat slimme moderne mensen begrijpen dat dit bestaan mysteries kent, de menselijke ziel peilloos is, dat vertrouwen loont en dat liefde schenken aan je medemens de mooiste bijdrage is aan de krommingen op het trampolinedoek van dit bestaan.

Terug naar overzicht…