De Dominee (2)

Door Ds. Aart Mak

De vorige keer vertelde ik hoe Freek de Jonge ooit allerlei domineeskinderen bij elkaar riep en daar een lans brak voor een mooi beroep. Zelf beantwoordt Freek aan wat aan dominees vaak wordt verweten: een moralist te zijn. Een moralist is iemand die, letterlijk, de goede zeden bewaakt, een zedenprediker. Dominees stonden vroeger ook wel bekend als boetepredikers. Nog niet zo lang geleden ontdekte ik dat de dominees van de Reformatie het al die eeuwen bijna elke zondag over de hel hadden en daarvan de meest verschrikkelijke beelden schetsten om hun toehoorders angst aan te jagen voor wanneer zij zich niet zouden bekeren. Een moralist is in het gewone taalgebruik iemand die altijd wat op te merken heeft over andermans gedrag. Moralisme voelt dan al gauw aan als benauwd. Nooit is iets goed. Een goede daad kan altijd ingegeven zijn door een slecht motief. De mens is een zondaar die eeuwig gewantrouwd moet worden. En iemand die dat voortdurend roept, laadt de verdenking op zich er zelf buiten te staan waardoor je weer de schijnheilige wordt in de ogen van de anderen. Kortom, de vraag die ik in deze binnenkamer aan mijzelf stel is of ik ook die moralist ben die ik natuurlijk helemaal niet wil zijn maar toch door mijn uitingen wel heel vaak ben. Dat is dus een vraag. Een vraag ook naar de dominee die ook nog wel andere dingen te doen of te zeggen heeft dan alleen altijd maar klaar staan met het morele oordeel.

Om eerlijk te zijn, het gaat mij zoals de meeste andere mensen: ik merk de moralist altijd onmiddellijk op als ik naar collega’s luister. De splinter in andermans oog en de balk in eigen oog, tja. Maar zelf sta ik ook nog wel eens met het vingertje klaar – in sommige periodes meer dan andere. En heb ik de bijna onuitroeibare neiging overal iets van te moeten zeggen. Dat ik dat niet altijd doe is meer door tijdgebrek dan dat ik nu zo mild en overvloedig in mijn zachtmoedigheid ben. Ik stoor me gauw aan het gedrag van anderen. Op straat, bij andere weggebruikers, terwijl ik zelf pas door de politie werd aangehouden omdat ik als voetganger een rood oversteeklicht volkomen negeerde – iets wat ik dus nog wel eens anderen zeer kwalijk kan nemen. En nee, ik lees geen Story’s, Party’s en dergelijke bladen, maar ik herken wel de duistere behoefte om te pendelen tussen gevoelens van jaloezie en leedvermaak om anderen. En mijn morele verontwaardiging  over de manier waarop grote industrieën, overheden, schimmige instanties en de patsers van deze wereld hun godzalige gang gaan, kan heel groot zijn. Onthutsend groot.

Er schuilt dus een tamelijk grote zedenprediker n mij. Ik wil, zeg ik dan met het gezicht in de plooi, mensen graag aan het denken zetten. Niets liever dan dat. Verhalen met een dubbele bodem, ik lust er wel pap van. Maar aan het denken zetten is ook vinden dat mensen anders niet nadenken en dus weer moraliseren. Tegelijk ben ik al jaren niet degene die graag preekt uit de grote en kleine profeten van de Bijbel. Ik vermoed uit weerstand tegen de vele preken die ik als opgroeiende jongen hierover hoorde. Ik vond het zo gemakkelijk praten. Vervelende mannen die Amos, Jesaja en vooral Jeremia. Ik voelde me in die jaren in de kerk opgesloten als een tijger in een te kleine kooi in een ouderwetse  dierentuin. Ik wilde leven, groots en meeslepend, alles ervaren, het zelf ontdekken in plaats van bij voortduring de maat gemeten te worden. Eigenlijk, bedenk ik, werd in die kerk van mijn jeugd het hele leven geëtiketteerd, als in een winkel waar van alles te koop is. Alles werd geprijsd. Bijna niets mocht, heel veel moest. God nog aan toe.

In die sfeer was een dominee al gauw een bullebak of, in een vriendelijke versie, iemand die voortdurend vermaande, overal een kanttekening bij zette en van alles beter dan anderen wist wat er aan de hand was, omdat hij nu eenmaal door zijn studie en zijn heilige ambt dichter bij de goddelijke openbaring zat. Misschien dat ik daarom zo vaak zeg dat ik het ook niet zeker weet en dat twijfel mij een zeer vruchtbare eigenschap lijkt. Maar daarmee is de moralist in mij nog niet verdwenen. Ik wil het graag weten en anderen laten weten. Ik ben geobsedeerd door goed en kwaad. Ik denk echt dat gedragsverandering nodig is om deze wereld van zijn dreigende ondergang te redden. En tegelijk houd ik van onvolmaaktheid, zelfs van lelijkheid, weet ik alles van moreel geklungel, vergeef ik liever dan dat ik verwijt en geloof ik stiekem dat God in de hemel van al die weeffouten op aarde iets nog iets moois weet te maken. En ik heb geleerd te genieten, vol overgave, van het leven, van allerlei vormen van kunst, humor, dwaasheid en vooral van mensen. De moralist in mij zal nooit weggaan. Maar ik leerde wel dat hij ergens niet tegen kan. En dat is genieten, het leven aanvaarden zoals het is, mensen omhelzen, jezelf voor lief nemen en vooral dat geloven wat een Calvinist maar nooit begrijpt: dat God louter genade is…

Terug naar overzicht…