Afscheid nemen en volwassen worden

Door Aart Mak

Afscheid nemen. Een aantal keren in mijn leven heb ik dat gedaan, soms omdat het moest, soms omdat ik het zo en niet anders wilde. Het meest pijnlijk is het afscheid geweest van een huwelijk met twee kinderen die net drie en twee jaar oud waren. Natuurlijk zorgde ik in de buurt te blijven, de weekenden, de schoolbezoekjes door de week, dat soort dingen, maar ik miste veel, de dagelijkse kleinigheden, de gewone momenten, de groeistuipen, alles wat gebeurt als kinderen groter worden. Een weekendvader kijkt vertraagd mee, hij is er niet bij en dus bijna altijd te laat. Maar ook dit afscheid vormde mij. Ik moest mijzelf opnieuw uitvinden. En heb dat gedaan, deels door de bloemen uitbundig buiten te zetten, deels door te snotteren en snuiten op de stoelen van psychotherapeuten. En dan zijn er ook nog die andere momenten dat ik afscheid nam, hoe ouder je wordt, hoe meer dat er zijn. Herinnert u zich nog dat liedje uit de Sound of Music: 'So long, farewell, auf Wiedersehen, good night'? Het blijft aardige nostalgie om naar dat lied en trouwens die hele film te kijken, maar ook achter dit afscheidslied, hoe aandoenlijk ook gezongen, gaat een bittere werkelijkheid schuil. Want afscheid is dat de gezamenlijke weg van twee mensen uiteen gaat in twee zich van elkaar verwijderende wegen. De ontmoeting is het begin van het afscheid, zegt een Japans spreekwoord dan. En dat is dan nog afscheid bij leven. De man met de zeis, zinnebeeld  van de dood, geeft nooit terug wat hij heeft weggenomen. En toch is het waar dat de aanvankelijke leegte die kan voelen als een afgrond waarin je voor de rest van je leven wegzinkt, zich weer gaat vullen. Het gebeurt. Je leven krijgt weer vorm. Je likt niet alleen je wonden, je stuit ook op eerder onvermoede vermogens tot herstel. Je leert ermee leven, met het afscheid, dat is ook zo. Maar je wordt ook krachtiger, juist door mee te maken en te aanvaarden hoe zwak je kon zijn.

Eerder schreef ik iets over de moeite voor gelovige mensen om afscheid te nemen. Daarin verschillen zij niet van anderen. Maar juist zij zouden moeten weten hoe je geestelijk ook een keer afscheid moet nemen van je kind-zijn. Ik verwijs hier naar het beroemde hoofdstuk over de liefde, 1 Korinte 13, vers 11: Toen ik nog een kind was sprak ik als een kind, dacht ik als een kind, redeneerde ik als een kind. Nu ik volwassen ben heb ik al het kinderlijke achter me gelaten. Maar, als dat zo is, waarom dan als gelovige blijven hangen in achterhaalde voorstellingen en vooral in het veilig voelende idee dat je deel uitmaakt van een groep waar het gaat zoals het al eeuwen gaat? Maar moet je daar dan afscheid van nemen? vroeg iemand mij. Ik geef een voorbeeld. Leden van mijn generatie gingen jaren geleden naar de ashrams in India om zich daar aan de inzichten van een goeroe te laven. Ze bleven soms maanden, een enkele keer zelfs jaren weg. Maar ieder normaal denkend mens zou zeggen dat je na zo’n periode aan de voeten van een meester te hebben gezeten, ook weer afscheid neemt en alles wat je geleerd hebt gaat toepassen in je westerse manier van leven. Weg van die ashram in India dus, gewoon huisje, boompje, beestje hier in Nederland. Maar dat zelfde wordt niet gezegd van christelijk geloof en kerk. Ook die kerk is een plek waar je verhalen hoort, inzichten krijgt, enthousiast kunt zijn over bepaalde voorgangers, je kunt koesteren in het gezelschap van anderen. Maar waarom zegt bijna niemand dat het volwassen is om daar ook een keer afscheid van te nemen? Waarom maakt georganiseerde godsdienst de mens zo afhankelijk en waarom vinden wij dat in onze eigen situatie normaal?

Zo gezien kun je een massa kerkverlaters als volwassen gelovigen zien. Zij hebben hun lessen geleerd en doen het nu op hun eigen manier. Of dat nu waar is of niet, ik moet daar nogal eens aan denken als ik nadenk over de hemelvaart van Jezus. Hij nam bewust afscheid en vertrok als de koning uit vele van zijn gelijkenissen. Naar een ver land ofzo. Waarom? Opdat de achterblijvers hun eigen verantwoordelijkheid zouden nemen. Geen leerlingen meer aan de voeten van de meester, maar zelfstandige apostelen die hun eigen hart en hoofd durven volgen. Waarom wordt dit in de kerk wel als waarheid beleden maar zo weinig toegepast? Waarom durven zo veel gelovigen de vrijheid niet aan? Ik gaf eerder al een aantal antwoorden die er op neer kwamen dat de christelijke leer suggereert dat mensen niet in staat zijn zelfstandig hun weg kan vinden. Volgens de leer blijven wij kinderen die de autoriteit van de bijbel, het gezag van de traditie en de kerk als een vergevingsgezinde moeder nodig hebben om een beetje op koers te blijven in dit leven.

Zelfstandig geloven is dus, wat je er verder allemaal over kunt zeggen, vooral de bereidheid om afscheid te nemen. Volwassen te worden. De kindsbeelden achter je laten. Niet afscheid nemen om de rest van je leven op jezelf te zijn. Maar om nieuwe gemeenschappen te vinden. Tijdelijke verbanden soms. De moderne tijd biedt daarvoor talloze mogelijkheden. En natuurlijk, je blijft leren. Net als van boeken die je leest of cursussen die je volgt. En het meest nog van de echte gesprekken die je hebt met je medemensen. Met sommigen van hen heb je het er zo nu en dan over, over dat wat je bezielt, waar je de moed vandaan haalt en hoe je geestelijk in beweging blijft. En voor dat laatste, dat geestelijk in beweging blijven, zijn geen betere lessen dan alle keren dat je afscheid moest en nog zult moeten nemen.

Terug naar overzicht…