Familie (4)

Door Ds. Aart Mak

Van je familie moet je het hebben. In deze zomerweken wil ik het een aantal keren met u daarover hebben. Dus tot en met eind juli geen actualiteit, maar familieverhalen. Alle verhalen zijn afkomstig uit het pas verschenen boek Zielenroerselen en Speldenprikken, dat ik schreef met Astrid Hart samen. Het boekje met veertig verhalen, gedichten, bijbelteksten en vragen die te denken geven, is in elke boekhandel te verkrijgen. Terug naar de familie. Ik wil een verhaal vertellen over een broertje. Het gaat er niet om of dat echt gebeurd is. Het zou zo gebeurd kunnen zijn. En u zult merken hoe een zekere schaamte een rol speelt.

Schaduw

Ik denk vaak aan mijn broertje. Toen we nog jongens waren en veel op straat zwierven, volgde hij me waar ik ook maar naartoe ging. Altijd was hij er, mijn schaduw. Of we nu knikkerden, voetbalden, belletje trokken of zaten te vissen, hij was erbij. Mijn vrienden wisten niet beter of wij kwamen met z’n tweeën. Thuis keek mijn moeder mij aan als ze wilde weten hoe het met mijn broertje ging. Ik weet nog hoe we voor het eerst aan de andere kant van het spoor naar een feestje gingen. Mijn broertje hield mij zo angstvallig in de gaten, bang dat hij me zou kwijt raken, dat ik voor het eerst irritatie voelde. Misschien was het ook omdat ik verliefd was op het nieuwe meisje in mijn klas. Die gaf dat feestje namelijk.

Die irritatie zou zich daarna vaker voordoen. Maar altijd was het toch ‘samen uit, samen thuis’. Tot die keer dat ik hem voor het eerst van me afschudde. Ik was hem zat. Altijd die zoekende ogen. Niets kon ik doen zonder zijn blik. Niet dat hij ooit thuis iets zei over mij, dat niet, maar ik wilde eindelijk eens alleen zijn. En dat heb ik moeten bezuren. De halve nacht hebben we hem lopen zoeken. Was hij volkomen verdwaald. Ik kreeg van mijn moeder de wind van voren. Alsof ik uit mezelf al niet in de grond wilde zakken.

Nog weer later hebben onze ouders een plek voor hem in een of ander huis geregeld. Daar heeft hij het best naar zijn zin. We zijn nu allebei volwassen. Ik zoek hem regelmatig op. Maar als ik dan weer afscheid neem, blijft hij kijken tot hij me niet meer ziet. Ik weet het zeker.

Ik ken ouders die hun kind moeten afstaan aan andere opvoeders. Omdat het voor hen zelf te zwaar is. Je familie heb je niet voor het kiezen. En dat is maar goed ook, denk ik soms. Daar begint namelijk de ervaring dat je er mag zijn, wie en wat je ook bent. Er wordt van je gehouden, zonder voorwaarden, hoe lastig en zwaar het soms kan zijn. Het is een afschaduwing van de liefde die wij aan God toeschrijven. En zo leven mensen, vaak ongeweten, dicht bij God.

U hoorde lezen uit Genesis 9:20-23 (Noach was landbouwer en legde als eerste een wijngaard aan. Hij dronk van de wijn, werd dronken en ging in zijn tent liggen, zonder kleren aan. Toen Cham, de vader van Kanaän, zag dat zijn vader naakt was, vertelde hij dat aan zijn twee broers, die buiten waren. Daarop namen Sem en Jafet een mantel, legden die over hun schouders, liepen achteruit de tent binnen en bedekten het naakte lichaam van hun vader, met afgewend gelaat, zodat zij hem niet naakt zagen). Verder hoorde u zingen: gezang 460 uit het Liedboek.

Terug naar overzicht…