Woord (2)

Door Aart Mak

Het lastige met woorden is dat ze vaak teveel van het goede zijn. Veel woorden verhullen dan waar het werkelijk om gaat, zoals elke pastor, therapeut en ook journalist al te goed weten. Hulden sommigen zich vroeger nog in zwijgen, tegenwoordig hullen we ons vooral in mooipraterij. Of we lezen graag het omgekeerde: kwaadsprekerij in allerlei bladen en rubrieken. Ook in dat geval blijven we liever steken aan de oppervlakte dan door te dringen tot het wezenlijke.

Vaker dan ons lief is verhullen of verdraaien woorden de zaak die ze benoemen. Media kunnen gemanipuleerd worden, er bestaan spindoctors en het nog steeds uitdijende internet kun je voor een flink deel vergelijken met Jacob die zich voordoet als Esau. Er zijn zelfs mensen die betaald worden om bewust verwarring te zaaien. Denk aan de jarenlange campagnes om het roken maar als zo onschadelijk mogelijk voor te stellen.

Ook het veelgebruikte en gesmade woordje ‘God’ weet hiervan mee te praten. Soms moet je daarom opnieuw afspreken over wie je het hebt en wat je bedoelt. Zoals Huub Oosterhuis – inderdaad, met veel woorden ook, ooit voorstelde: Vrienden, zullen we een afspraak maken over het woordje ‘God’? Kunnen we afspreken dat we een stem bedoelen, als we bidden en zeggen: God? Welke stem? De stem die zegt: wie ben je? Waar is je broeder? De stem die zegt: honger is diefstal, armoede is diefstal; die zegt: je zult de armen niet verarmen, de benigen niet uitbenen; die zegt: vrees niet, het zijn maar mensen, ze zijn te ontmaskeren; de stem die tot uittocht dwingt, die het binnenste buiten keert, het onderste boven brengt; die zegt: wat lieg je, wie ben je? Ik hard het niet langer. Ik kom. Er zijn mensen die zeggen dat ze door die stem geraakt zijn. Geroepen. Losgewoeld uit staat en stand. Ontworteld. Ergens heen. Naar iemand toe. Ze zijn onbruikbaar binnen de machtige systemen. Ze kunnen niet meer wonen in de oude orde, tussen mensen die hun goden omklemmen. Ze zijn rusteloos. Ze reiken altijd boven hun krachten en kunnen niet anders. Kunnen we afspreken dat we die stem bedoelen, als we bidden en zingen ‘God’?

We denken met woorden alles te kunnen zeggen. Maar op hun best zijn onze woorden niet meer dan wat onze moderne navigatiesystemen doen: de weg wijzen. Het stuur moeten we zelf vasthouden. Het landschap zullen we zelf moeten verkennen. En de reis van ons leven moeten we zelf ondergaan, ook al bestaan daar in duizenden romans miljoenen woorden voor.

Als het over God of Jezus, Geest of liefde gaat, schieten woorden helemaal tekort. Dan is gauw elk woord teveel, een omschrijving voelt snel als een platitude en een preek kán een aaneenrijging van clichés zijn. Ook de aansporing om dan maar te luisteren (zelfs ons te haasten om te luisteren – Jacobus 1:19), veronderstelt dat er wel door iemand gesproken wordt. Wat zullen we dus zeggen als het om God en goedheid, leven en dood, Jezus en redding gaat? De huidige tijdgeest die zich vermeit in eindeloze beschouwingen en commentaren, maakt meer dan ooit het verlangen naar zwijgen en stilte wakker. Veel mensen vragen zich af of er nog een ruimte bestaat waarin we zwijgen over wat niet gezegd kan worden. Het is de stilte waarin monniken en mystici zich vaak al lang bevinden. Het geeft eindelijk lucht aan wat diep van binnen leeft. Leve dus de lege kerken van Frankrijk? Of is dat nu ook weer teveel gezegd?

Vlakbij mij, in Haarlem op de Parklaan, was altijd een uithangbord met daarop de twee woorden ‘Jezus redt’. Het huis dat aan dat bord vastzat, is nu verkocht. Die twee woorden deden me altijd denken aan een muur in Amsterdam waar dat ook op geschreven stond. ‘Jezus redt’ Op een nacht had iemand er iets bij geschreven. De twee woorden ‘het niet’. Stond daar dus: ‘Jezus redt het niet.’ Vier woorden nu. Nog een nacht verder had iemand anders weer een woord toegevoegd: ‘alleen’. Stonden daar dus vijf woorden: ‘Jezus redt het niet alleen.’

 

Terug naar overzicht…