Klooster

Door Ds. Aart Mak

Ooit brachten kloosterlingen als Willibrord en Bonifatius hier in de lage landen het evangelie. De verhalen over hen zijn legendarisch. In een tijd waarin krijgsheren de dienst uitmaakten en er amper sprake was van enige ontwikkeling voor gewone mensen, hebben deze en andere missionerende monniken het voortouw genomen. Ze stichtten nieuwe kloosters die centra van beschaving werden. In kloosters, in het begin van het christendom ontstaan als plaatsen waar je je kon terugtrekken van de boze wereld, werd nu kennis verzameld en verspreid. En zo hebben kloosters eeuwenlang een grote en doorslaggevende rol gespeeld in het geven van onderwijs aan mensen, het inpolderen en bedijken van land, de geneeskunde, de ziekenzorg en zelfs het bestuur van een bepaald gebied. Ooit was het klooster de manier waarop de kerk mensen gezonder, wijzer en sterker maakte.

In de huidige tijd is dat allang niet meer het geval. De maatschappij heeft de taken overgenomen van wat vroeger door de nonnen en de monniken werd gedaan. Ziekenhuizen zijn nu publiek domein, de geneeskunde heeft zich allang losgemaakt van de kerk, onderwijs idem dito, bibliotheken zijn nu publiek bezit en voor de inrichting van het land en de strijd tegen het water hebben we Rijkswaterstaat en de waterschappen. De vraag is dus wat kloosters nog bijdragen aan het leven van mensen. Sterker nog, je kunt dezelfde vraag ook stellen als het gaat om de kerk. Waar is de kerk, die vroeger het leven van mensen zo bepaalde en vormde, tegenwoordig nog goed voor?

Volgend weekend ben ik met een tiental mensen van een gespreksgroep twee etmalen lang in het klooster van Egmond. Een abdij is het om precies te zijn, een mannenklooster van de Benedictijnen. Nu ik me bij stukjes en beetjes op dat weekend aan het voorbereiden ben, herinner ik mij dat een collega van mij, Jeroen Jeroense, vijf jaar geleden een soort pamflet schreef met de titel ‘De kerk als klooster’. Ik heb dat boek er nog eens bijgehaald. Ik lees dit: ‘Wanneer je een plattegrond van een klooster ziet, dan ontdek je naast de kapel ook een eetzaal, een bibliotheek, slaapvertrekken, een tuin, de kloostermuur en het gastenverblijf. Op deze manier kon worden voldaan worden aan het ideaal van de eerste gemeente. Namelijk een gemeenschap van mensen die samenleven. In de loop der eeuwen heeft de plaatselijke kerk echter alleen nog maar de kapel overgehouden. De schrijver wil daarom een lans breken voor het kloostermodel als een structuur voor de kerk in het huidige tijdsgewricht.’ Hier is dus iemand aan het woord die blijkbaar graag in een klooster komt en weet wat hij daar te zoeken heeft. Daarin is hij niet de enige. De gastenverblijven in de kloosters zitten in het algemeen vol. Het wonderlijke is dat de kloostergemeenschappen zelf, de monniken en de nonnen, alle zeilen moeten bijzetten om te kunnen blijven bestaan. In het nieuws van de afgelopen week werd duidelijk dat er steeds meer vrouwen en mannen uit het buitenland kloosterling worden in Nederland. Dat is een manier. Ook zie je dat huishoudelijke taken worden uitbesteed aan buurtbewoners die daar een inkomen aan hebben en de oudere monniken in staat stellen hun gemeenschap overeind te houden.

Wat mij intrigeert is het volgende. Zijn wij in deze tijd weer toe aan gemeenschappen zoals de kloosters dat eeuwenlang waren? Mijn collega Jeroense vindt in elk geval dat moderne christenen weer gemeenschappen zouden moeten vormen. Dat zie ik zelf nog niet zo gauw gebeuren. Maar ik begrijp hem wel. In een tijd van doorgeslagen individualisme moeten we de kracht van kleine gemeenschappen weer opzoeken. De kerk zoals die nu functioneert, op zondag open en door de week wat activiteiten, heeft naar het lijkt haar tijd gehad. De waarde van gemeenschapsvorming, het delen van geestelijke en materiele zaken met elkaar, alles wat de eerste christenen ook ontdekten, zou weer van stal gehaald en opgepoetst mogen worden. Maar een vraag wordt niet gesteld noch beantwoord.

Dat is de vraag waarom mensen aan geloof zouden doen. Als kloosters vroeger zorgden voor voedsel, onderwijs, geneeskunde en ziekenzorg, en als dat nu allemaal allang door de maatschappij is overgenomen, waarom zou je dan nog kloosters willen? Die vraag geldt ook voor de kerk. Als de kerk van de vroege middeleeuwen tot en met de 20e eeuw zorgde voor allerlei vormen van ontwikkeling, scholing en vormen van naastenliefde en als je ziet dat de maatschappij daardoor een behoorlijk niveau van beschaving heeft gekregen, waarom is de kerk dan nog nodig? Dit zijn vragen die te weinig worden gesteld. Mensen die denken dat als je niet gedoopt bent je voor eeuwig verloren gaat of dat God iedereen straft die niet in Hem gelooft, hebben een goede reden om aan christelijk geloof te doen en dus de kerk te promoten. Maar als je dat op angst gebaseerde geloof nu hebt losgelaten? En volwassen kinderen hebt die verstandig, beschaafd en liefdevol in het leven staan, waarom zou je ze dan de kerk aanbevelen?

Deze vragen worden m.i. te weinig gesteld. Kerkverlating is ook schoolverlating. Als je geleerd hebt wat je moest weten, hoef je geen lessen meer te volgen. Dus opnieuw luidt de vraag: waar is de kerk dan goed voor? Mijn antwoord zou zijn dat ook een modern mondig mens behoefte heeft aan een plek waar je oude wijsheid en geloofstradities leert kennen, ontdekt wat inspiratie is, leert wat bidden of mediteren is, met anderen ontdekt waarom het in het leven gaat en wat er nodig is om te doen. En als ik dat zo zeg, kan ik niet anders dan concluderen dat er met de huidige kerk iets heel ernstigs aan de hand is. Ze heeft zich niet aangepast aan de nieuwe tijd, waarschijnlijk uit angst om te veranderen en weg te doen wat niet meer nodig is. Het programma wordt eenzijdig bepaald door de traditie en de mens wordt nog steeds benaderd als iemand die iets nodig heeft waar hij uit zichzelf niet op kan komen. Het  zou kunnen dat een klooster in de huidige tijd meer te bieden heeft, ook aan ook jonge mensen. Maar ook een klooster zal, net als in de tijden van Willibrord en Bonifatius, open moeten staan voor wat er in de wereld gebeurt en zien wat nodig is om het leven menswaardiger te maken.

Met muziek van Desplat en Lane/Vitarelli. Verder hoorde u muziek van Andriessen en het lied ‘Zonder maat is Gods erbarmen’ van Sytze de Vries. Gelezen werd uit de bijbel, Micha 6: 8. Het gebed kwam het nieuwe Liedboek.

 

 

Terug naar overzicht…