Toeschouwer

Door Ds. Aart Mak

Ik gruwde van hem. Hij zag er zo lelijk uit. Hij had van die vreemde bulten op zijn hoofd. Hij liep een beetje krom, zijn ene been was duidelijk korter dan het andere en als hij opkeek, loensten zijn ogen de straat in. Ik kwam hem overdag in de stad wel tegen. Hij zat meestal op een bankje, voor zich uit te kijken. Ik was onderweg naar school of liep terug naar huis. Ik heb thuis wel eens gevraagd hoe iemand zo lelijk kon zijn. Ik kende het verhaal toen nog niet van Quasimodo, de door Victor Hugo beroemd gemaakte klokkenluider van de Notre Dame. Ik was gefascineerd door mensen die er anders uitzagen. Iemand zonder benen in een karretje. Een heel klein meisje dat maar niet wilde groeien. Bij mijn in de klas, aan de andere kant van het pad, zat een jongen die altijd onder de zweren zat. Ik kon mijn ogen er niet van af houden. Maar dichtbij komen deed ik niet. Ook niet bij dat meisje met een enorme wijnvlek op de onderarm, met donkere haren die uit de huid tevoorschijn priemden. Mijn eigen bloed – hoe vaak viel ik niet en had ik weer een wond – kon ik heel goed velen. Maar het bloed van anderen, en dan vooral de viezigheid, de pus, de korsten, ik moest er niets van hebben. Ik keek liever toe. Ik fantaseerde er zelfs over. Als ik oorlogsboeken las en het ging over gewonde soldaten. Maar ik bleef liever toeschouwer, vanuit de verte.

Ik weet nog dat ik graag hutten bouwde in de tuin. Helemaal achterin de tuin, voor mij als kleine jongen was dat een enorm domein, bouwde ik dan een hut, alleen of samen met een vriendje. Planken, takken, kartonnen dozen, alles wat bruikbaar was. Bij gebrek aan een stevige boom moest het gewoon op de grond. De bedoeling was dat die hut onzichtbaar was voor anderen. En het grootste genoegen was dan dat, als het klaar was, ik erin ging zitten en vandaaruit naar mijn eigen huis ging koekeloeren. Ik zag anderen achter de ramen bewegen. Ik hoorde verre geluiden. Maar ik was er niet bij. Ik had mijn eigen domein. Ik keek en had er even niets mee te maken. Het gelukkige gevoel was snel weer voorbij. Tegen de regen kon ik niet op. En uiteindelijk is alleen maar toekijken ook dodelijk saai en besloot ik toch weer naar mijn kamer te gaan en languit op mijn bed liggend, te beginnen aan mijn volgende boek. Boeken lezen is ook toeschouwer zijn. Maar dat besef ik nu pas. Je mag meereizen met iemand, in zijn hoofd kijken, aanwezig zijn bij alles wat onderweg gebeurt, maar jij kunt het boek weer terzijde leggen. Het raakt je wel, maar het is een andere wereld. Ik bleef toekijken, op afstand.

Toen ik later volwassen was geworden, bleef ik dat houden. Ik kon gefascineerd zijn door mensen die er niet uitzagen, lelijk als ze waren, door een huid die vreemd gekleurd was, door pleisters en zwachtels die wonden verraadden. Ik hoorde verhalen over vreselijke ongelukken en ik luisterde wel. Maar altijd met dat vreemde gevoel in mijn buik, een soort mengeling van angst en aantrekkingskracht. Ik keek wel uit om alles te willen weten. Bij een condoleantie zag ik iemand het dode lichaam van mijn oma aanraken. Ik wendde mijn ogen af van schrik. Ik griezelde. Zoiets doe je toch niet? Nu, daarom was ik er niet bij. Nee, ik was er echt niet. Ik wilde niet. Dat was geen toeval. Ze hadden het al een paar dagen over een vriend die uit de dood was opgestaan. De gedachte alleen al. Ik rilde van ontzetting. Ik had hem dood gezien. Gestriemd, wit vlees, diepe wonden her en der, viezigheid, pus. Ik liet de verzorging graag aan anderen over. Ik keek liever van afstand toe. Dus daarom was ik er niet bij. Laat mij maar boeken lezen. Erbij zijn maar niet echt, mijn eigen gedachten mogen hebben. Waarom ik er een week later wél bij was? Ja, waarom doe je dat? Ik liet me overhalen. Vrienden voor het leven, dat had ik ook ooit gezegd. En toen gebeurde het. Ik heb toen iets gedaan wat ik nog nooit eerder in mijn leven had gedaan. Een dode aanraken, ook nog eens op de plekken die zo smerig waren. Ze hebben er later een heel verhaal van gemaakt. Over zien en geloven. Maar dat ging niet meer over mij. Ik was iemand die liever op afstand bleef toekijken. Nog steeds eigenlijk. Ik ben niet zo’n verplegerstype. Ik blijf ziektes en mismaaktheid vreselijk vinden. Laat mij maar wat mogen rommelen en niet te dichtbij hoeven komen.

In het aan Thomas toegeschreven evangelie gaat het nergens over het concrete leven en sterven van Jezus. Het later in de geschiedenis opgedoken Thomas Evangelie, laat Jezus aan het woord, in 114 uitspraken. Het bevat allerlei levenswijsheid, over licht en donker, over zoeken en vinden, over het geheimzinnige koninkrijk, over het innerlijk en hoe een mens moet vechten met wat in hem leeft aan gedachten en gevoelens. Uiteraard gaat het nergens bij Thomas over ziekte en zeerte, gewond zijn en dood gaan.  

 

Terug naar overzicht…