Primitief

Door Ds. Aart Mak

Een van de vragen die mij al jaren het meeste bezig houden is de vraag naar het verband tussen godsdienst en modern leven. Ik heb mij, net als u waarschijnlijk, altijd goed kunnen voorstellen dat mensen van vroeger tijden met hun kleinere gezichtsveld, kortere levensduur en eenvoudiger en zelfs armoediger omstandigheden, God nodig hadden. Dat bedoel ik niet oneerbiedig. Als het leven op aarde, in dit ondermaanse zeiden we vroeger wel eens, niet beantwoordt aan je verlangens en wensen, hoe bescheiden die ook zijn, ontstaat al gauw de gedachte aan een leven na dit leven. Een hoop die al ons leed moet verzachten, om een oud gezang te citeren. Een geloof in God die zijn gelovige volwassenen kinderen op aarde eens, in zijn eeuwigheid, zal geven waar ze tijdens hun leven alleen maar van kunnen dromen.

Het geloof werd door al die vroegere generaties ook overgenomen van ouders en doorgegeven aan kinderen. De mensheid leefde onder het hemels baldakijn. Niet geloven in God kwam in feite niet voor. Je zou aan die manier van geloven het stempel van primitiviteit kunnen geven. Veel oude getuigenissen van gelovige mensen ademen een oprechte en eenvoudige manier van denken over leven en dood, over de zin van het leven, over goed en kwaad, over alles dat nu eenmaal bij het leven hoort. Er waren maar weinigen die verder dachten dan de kerk voorschreef. Het had allemaal een zekere vanzelfsprekendheid, hoezeer ook de mensen van vroeger gebukt gingen onder natuurrampen, epidemieën, mislukte oogsten, wrede oorlogen en bittere armoede.

Als de mens zich dan ontwikkelt, de welvaart groeit, de overheid zich bemoeit met het welzijn van haar onderdanen, de kerk oog krijgt voor de horizontale dimensies van het bestaan, wat gebeurt er dan? Blijft geloof dan wat zij altijd was, een overgeleverd, traditioneel stelsel van waarheden, riten en gewoontes waaraan nieuwe generaties zich tot aan de jaren ’50 van de vorige eeuw altijd min of meer conformeerden? Het antwoord lijkt, althans in Nederland maar ook in andere West-Europese landen, ontkennend. De godsdienst in Europa veranderde toen de mensen zich gingen ontwikkelen, langer gingen leven en welvarender werden. Het dagblad TROUW bevestigde begin deze week nog weer eens dat de kerk en haar boodschap als te benauwend worden ervaren, maar dat er bij veel moderne Nederlanders wel sprake is van een soort algemene religie. Dan is het meer een soort religiositeit, een idee van een onpersoonlijke God, een behoefte om zelf het goddelijke vorm te geven, doorgaans gematigde, nauwelijks door de traditionele godsdiensten beïnvloede standpunten inzake abortus, euthanasie en seksualiteit en uiteindelijk een grote behoefte om als individu zelf je weg in het hogere of, zo u wilt de andere (transcendente) wereld, te vinden.

Ik vind dat fascinerend en opnieuw houdt die oude vraag mij bezig. Kan er een vorm van georganiseerd geloof bestaan dat samengaat met het moderne, democratisch georganiseerde leven van goed opgeleide, mondige mensen? Beter kan ik de vraag niet formuleren. En ik ken en weet natuurlijk ook van al die religieuze vormen die mensen alleen of in gespreksgroepen of op cursussen beoefenen. Nu denk ik aan meditatie, yoga en lichaamswerk, maar ook aan allerlei vaak geheimzinnige manieren om waarheid of wijsheid op het spoor te komen. In de kerk ging het als het goed was om de Geest van God die genezend en helend bij mensen wil komen. Ook ging het als het goed was om een geboeidheid door de persoon van Jezus; hij liet blijkbaar de vonk tussen hemel en aarde overspringen. Maar ging het daarover in de kerk? En was er vrijheid om je eigen gedachten te vormen? In elk geval werkt die kerkse manier van georganiseerd geloven naar het lijkt niet meer. Of wel, maar dan alleen onder conservatief georiënteerde jongeren die het liefst strak in de leer en in het leven zijn.

Ik blijf dus bij mijn vraag die ik nog weer anders zal stellen: hoe primitief moet je zijn om in God te kunnen geloven? Nu stel ik deze vraag wel heel ongepolijst, een vraag zo ruw als ongeschaafd hout. Dat komt ook door een boek dat ik de afgelopen week las. Het is van de Zweed Torgny Lindgren, het heet ‘Norrlandse Aquavit’ en het gaat over een oude dominee die na ongeveer veertig jaar terugkeert naar de streek waar hij in zijn jonge jaren talloze mensen tot het geloof gebracht heeft - sommigen heeft hij zelfs meerdere malen bekeerd. Het speelt in het uiterst dunbevolkte noorden van Zweden en het betreft een landstreek die wat armoede en onbekendheid vergelijkbaar is met ons Oost-Groningen. De dominee, Olof Helmersson, die dus ooit als een charismatisch prediker hele volksstammen verzamelde en de mensen niet alleen voor de kerk won maar ook, aardig detail, de inwoners van de provincie Västerbotten tot het tandenpoetsen bekeerde, trekt nu als een oude man met een vouwfiets rond om zijn mensen het omgekeerde evangelie te brengen: God bestaat niet en het is allemaal onzin wat ik jullie ooit vertelde. Maar de mensen leven grotendeels niet meer en wie hij nog wel tegenkomt, zijn of te eigenwijs of te veel in zichzelf gekeerd om hem zijn nieuwe boodschap in dank af te nemen.

Het is een merkwaardig boek, van een grote, eenzame schoonheid. Het lijkt enigszins op hoe Geert Mak de veranderingen in het Friese dorpje Jorwerd beschreef: ‘Hoe God verdween uit Jorwerd.’ Maar aan het eind bleef ik zitten met weer die grote vraag, nu weer anders gesteld: heeft het christendom dan alleen maar waarde gehad in de dorpen van Europa, de dorpen die nu allemaal langzamerhand verdwijnen? En hebben de mensen van de steden, de stadsmensen die wij bijna allemaal inmiddels zijn, geen idee meer van het geloof dat hun dorpse voorouders bezielde? Houden sommigen van ons het geloof vast uit angst anders niets meer in handen te hebben? Hebben anderen de vrijheid genomen om geheel of gedeeltelijk, naar eigen goeddunken, afscheid te nemen van het traditionele geloof en daarmee ook van de kerk? Is dit tenslotte het verhaal van met name protestants Europa: een dominee die na lang nadenken in een stadsflatje met uitzicht op zee, tot de conclusie komt dat er allemaal niets van waar is? Waarom verdwijnt er toch zoveel kerkelijk geloof zodra de mensen van tegenwoordig om zich heen gaan kijken en gaan nadenken? Dan hebben de mensen in de kerk elkaar toch generaties lang domgehouden of in elk geval niets wijzer gemaakt? Als het om een antwoord op die vraag gaat, hul ik mij voor een week even in een soort Zweedse zwijgzaamheid. Ik kom er nog wel op terug, met andere woorden.

Met muziek van Grieg en Rachmaninoff. Verder hoorde u muziek van Arvo Pärt (uit zijn Berlijnse Mis) en ‘Il primo scoperio’ van Morricone uit de film ‘Novecento’. Gelezen werd uit Matteus 11: 20 en 11: 25. Het gebed kwam uit de bundel ‘Bij gelegenheid (II)’ van Sytze de Vries.

Terug naar overzicht…