Onderweg

Door Ds. Aart Mak

Wat gedachten deze keer over de Emmaüsgangers. Dat waren die twee mannen die teruggingen naar huis en meenden dat alles voorbij was.

Soms is troost te vroeg. Als mensen al in de rede worden gevallen voor ze uitgepraat zijn, heeft hun hart nog geen ruimte. Eerst moet alles naar boven gehaald worden. De hoop en het optimisme die er eerst waren. Dan de niet te geloven wending. Een schokgolf, een aardbeving. Hoe het drama zich afspeelde, wat ze erbij voelden, wat ze dachten, wie er nog meer waren. Een mens is niet zo maar verslagen. Maar als het zover is, dan moet ook het hele verhaal verteld worden. Eerst alles eruit. Misschien begrijpt een mens zichzelf al pratende beter. Als er maar iemand luistert, het maakt niet uit wie.

Terwijl alle wegen naar Jeruzalem gaan, lopen er twee bij de hoofdstad vandaan. Gelijk hebben ze. Want het bederf van het mooiste dat zich daar afspeelde, is het slechtste. De stad van vrede bleek een oord van moord. Geen moord op zomaar iemand. De executie werd voltrokken aan de enige van wie ze vonden dat hij integer was. Ze keken tegen hem op. Ze keken uit dat zou gebeuren waar hij over sprak. Hij was vol van iets dat ze kenden maar zelf maar half toepasten in hun leven. Noem het hoop of idealisme. Noem het geloof, geloof in iets beters dan wat er voorhanden is. Noem het heimwee desnoods, heimwee naar de tijd dat je als kind nog geen besef had van de wreedheid van het bestaan. Maar hij, juist hij was op barbaarse wijze ter dood gebracht.

Terug dus naar huis. De revolutie werd de kop ingedrukt voor zij nog maar begon. Ja, er waren nog wat vrouwen die zeiden dat het allemaal niet waar was. Vrouwenpraat. Vrouwen hebben altijd moeite om de realiteit onder ogen te zien. Een paar mannen hadden nog gecontroleerd wat zij beweerden. Niets gezien natuurlijk. Zie je wel, zeiden die vrouwen toen. Er moet een logische verklaring zijn, zeiden de mannen. Wegwezen dus. Ze hadden niets meer te zoeken daar. Bovendien waren ze wel erg overijld van huis vertrokken. Hun handel lag al dagen stil. Hun families hadden hen weer nodig.

Tot zover een verhaal als zoveel verhalen. Mensen als een bloem in de knop gebroken. Bewegingen die doodlopen door het geweld van de wetshandhavers. De spandoeken worden weer opgeborgen. De doden en gewonden geteld. De schrijvers zetten zich neer om verslag te doen. De overlevenden keren terug naar huis en haard.

Tot er een vreemdeling zich bij hen voegt. Hij lijkt geen deel uit te maken van hun  wereld. Nooit eerder gezien. Alsof hij jaren op een eiland heeft gezeten. Goed, loop maar mee! De reis is nog lang en al pratend vergeet je de tijd. Hij wil alles weten. Stelt goede vragen. Lijkt mee te voelen. Mompelt dat hij het begrijpt. Gek dat hij nergens van wist. Had hij vast en zeker meegedaan. Niet dat het geholpen had natuurlijk. Maar zo gek waren ze dus niet geweest toen ze weken geleden van huis waren weggegaan. Ze horen zichzelf praten en begrijpen zichzelf beter.

Maar die ander blijkt een kenner. Vraag hun niet waarvan precies. Maar hij weet veel. Van vroeger en hoe het toen ging. En hij heeft blijkbaar nagedacht. Over de Messias en dat die moest lijden. Over het licht dat het donker moet trotseren wil het licht zijn. Over een graankorrel die in de grond moet sterven wil hij vrucht dragen. Over je leven verliezen om het juist te vinden. Het duizelt hen. Het lijkt alsof ze dat eerder gehoord hebben. Onmogelijk natuurlijk. Degene die dat ooit zo zei, leeft niet meer. En die ander, hun reisgenoot, is er niet bij geweest. Anders had hij hun niet het hemd van het lijf gevraagd.

Ze zijn er. Dit is hun dorp en daar zien ze al hun huizen. Het is nu bijna donker. Ze merken dat ze honger hebben. Dan zal ook hun reisgenoot wel graag willen eten. Gastvrij nodigen ze hem uit te blijven eten en de nacht bij hen door te brengen, voor hij weer verder zal trekken. En dan, aan tafel, met het brood en de zelfgemaakte wijn voor zich, gebeurt het. Zijn handen. Het gebaar. De woorden erbij. Hun hart slaat over. Dit is onmogelijk. Hun ogen en oren moeten hen bedriegen. Ze kijken op en zien niemand meer, alleen elkaar. En dan, na een lange stilte, begint het tot hen door te dringen. Ik had al zo’n gevoel! Ik dacht al: wat gek! Ik dacht dat ik iets herkende, mijn gevoel: ja, maar mijn verstand zei nee.

En nog diezelfde nacht reizen ze terug naar waar ze vandaan waren gekomen. De bekende weg opnieuw. Met een hart dat opnieuw brandt van heimwee en verlangen. Net als eerder, toen het nog licht was. En toen zij noch die vreemdeling noch hun hart hadden durven toelaten. Het leven is een vreemde reis en het hart een donker ding.

Ik vind dit een van de mooiste verhalen die ik ken. En ik wil er nog wat aan toevoegen. Een paar opmerkingen, als een hart onder de riem voor iedereen die dit hoort of leest:

- Welke weg je ook gaat, je kunt altijd op je schreden terugkeren.
- Een verkeerde weg kan je iets leren wat je op de goede weg niet zag.
- Jezus is altijd een vreemdeling en bekende tegelijk, hij blijft verrassen. 

Met muziek van Grieg aan het begin (Holberg Suite) en Rachmaninoff aan het eind (einde 1e deel van zijn 2e pianoconcert). Verder hoorde muziek van Bach (uit Musikalisches Opfer) en gezang 170 uit het Liedboek. Gelezen werd uit Lucas 24: 35-36. Het gebed kwam uit de bundel ‘Zeggen en zwijgen, oecumenisch gebedenboek voor alledag’ van Marcel Barnard e.a..


 

Terug naar overzicht…