Waarom

Door Ds. Aart Mak

Pas nog vroeg iemand mij waarom God dit allemaal toeliet. Ik kon wel raden wat hij bedoelde met ‘dit allemaal’. De toestand in Syrië natuurlijk. Al meer dan honderdduizend doden. De laatste paar honderd door gifgas, door regering of rebellen, wie zal het zeggen, in een woonwijk geopend als een doos van Pandora. Ik heb wel iets terug gemompeld. Maar ik betrapte mij er vooral op dat dit geen vraag voor mij was. Waarom God dit toeliet. Vroeger wel, dat herinner ik mij nog wel. Ik preekte er zelfs over. Drie keer achtereen, in Heemstede, over de goddelijke almacht en of we daar nog wat mee konden. Wat een vraag. Grote god. Kleine mens. Maar ik pieker niet meer over God almachtig. Maar ben ik dan nog verder ontvroomd? U kent het begrip ontvromen niet? Dat is net zoiets als ontromen, ontvetten. Misschien is mijn geloof ook wel ‘light’ geworden, net zoals de melk, de Fanta en de jam. Dat drink of eet ik allemaal niet. Dus misschien moet ik wel zeggen dat mijn geloof meer naturel is geworden, zonder kunstmatige toevoegingen, van die toevoegingen, E-nummers, die het langer houdbaar of aantrekkelijker voor het oog moeten maken. Zou dat het zijn?

Ik las dat de Amerikaanse gelovigen ook al minder in tongentaal spreken. Dan spreek je normaal toch over zo’n 66 miljoen gelovigen die schijnen te turven hoe vaak iemand in zwijm valt of aan glossolalie doet. Dat laatste is het sjieke woord voor tongentaal. Zouden zij daar aan hetzelfde lijden als ik? Ooit was mijn geloof een ingepolderd stuk land, met dijken die nog aangelegd waren door mijn overgrootmoeder en mijn grootouders. Ze hadden goed geluisterd naar de landschapsarchitect die naar de naam Abraham Kuyper luisterde. Ben ik allang weg verhuisd van die kleine maar vertrouwde polder van het overzichtelijke geloof? Het zou heel goed kunnen. Elke week spreek ik wel iemand die Klaas Hendrikse citeert en tegenwoordig wordt die naam steeds vaker aangevuld met de naam van Carel ter Linden, de hofpredikant. Deze collega’s en degenen die hen instemmend aanhalen in hun betoog vol twijfel en onzekerheid, bedoelen ook dat ze allang niet meer geloven zoals ze dat vroeger misschien nog wel deden. Mijn tong dwaalt in zulke gesprekken enigszins onrustig en vooral richtingloos door mijn mond. Wat moet ik ermee? Wat zal ik zeggen?

Ik laat me liever verrassen. Bij God stel ik me niet zoveel meer voor. Hij is een beetje een vreemdeling voor mij geworden. Behalve als ik bid. Dan doe ik alsof hij degene is die mij volledig kent, me zwijgend herinnert aan mijn diepste motieven en beste bedoelingen, mij gedachten ingeeft waar ik niet bang voor hoef te zijn, kortom: dan ervaar ik God als mijn oermoeder, degene bij wie ik vandaan kom of als de vader die mij op staat te wachten als ik de laatste meters van mijn levensweg loop. Maar dat is als ik bid. Alsof ik dan in een andere ruimte ben dan waar ik normaal rondloop, met mijn ogen open. Daar is God een vreemdeling. En ik moet toegeven dat ik zo’n vreemdeling veel spannender vind dan een almachtig vorst in een ijspaleis op de noordpool die alles ziet en weet en regelt. Het is de vreemdeling die ook in een van de gedichten van Martinus Nijhoff opduikt: ‘Hij dacht weer aan de oude vreemdeling / Die ’s middags in het herbergtuintje sliep – / Zij stoeiden om hem heen, en iemand riep / Hem wakker, en hij zat dwaas in hun kring. / Zijn verre blik zwierf langs hun ogen weg, / Hij zei: - (zijn baard was om de glimlach grijs) /  ‘Jongens, het leven is een vreemde reis, /  Maar wellicht leert een mens wat onderweg.’ / Toen was het of een deur hem open woei / En hij de verten van een landschap zag..’ Ik ben dan die jongen – de titel van het gedicht – die, aangestoken door de blik en de woorden van de vreemdeling, dat landschap intrekt. God mag voor mij iemand zijn die mij raadsels opgeeft. Zoek het maar uit en ontdek wie je bent. Dat werd dus een reis vol verrassingen, tot op de dag van vandaag.

Te midden van het loodzware, alle optimisme en vertrouwen wegvretende nieuws, leer je dan ook letten op de kleine rimpelingen, veroorzaakt door een enkel mens. Herinnert u zich nog Malala? In oktober 2012 schoten leden van de Taliban dit Pakistanse meisje door haar hoofd omdat ze zich inzette voor onderwijs aan meisjes. Ze was toen 15 jaar oud. Ze werd in Engeland geopereerd en leeft sindsdien in dat land. Aan het begin van de afgelopen week opende zij in Birmingham de grootste openbare bibliotheek van Europa, ontworpen door Nederlandse architecten. En deze Malala ontving vrijdag in ons land de internationale Kindervredesprijs. Dit zijn de kleine mensen die voor mij inmiddels een antwoord geven op de vraag naar het waarom. Waarom laat God dit allemaal toe? Hij doet niets. Wij doen alles. Maar ik denk wel dat wij moeten leren goed te kijken, te onderscheiden, niet alles op een hoop te gooien, de zachte krachten te horen fluisteren, de merel in het stadslawaai te horen zingen, het meest kwetsbare als het meest kostbare te omarmen. ‘Het leven is een vreemde reis. Maar wellicht leert een mens wat onderweg.’

Misschien is dit ook wel onverstaanbare tongentaal voor u. Maar ik maak me sterk dat u ook veranderd bent. U eet ook minder vet dan u vroeger gewend was. En u gelooft volgens mij ook niet meer zoals u vroeger wel zei dat u geloofde. Of dacht dat u moest geloven. Dat laatste is ook veranderd. We zijn meer onszelf geworden. En daarmee echter, authentieker en dus ook met meer twijfel. Ja, dat organiseert wat minder makkelijk. Kijk maar hoe het de kerken met moderne gelovigen vergaat: als een kruiwagen met kikkers. Maar de gesprekken zijn des te spannender geworden. Ik zal u tenslotte nog wat spannends meegeven. Volgens mij is God, het woord God, de aanduiding God, een sleutelwoord voor een groot geheim. Dat geheim is dat waar wij naar zoeken, er altijd al was. Het geheim houdt in dat wij er een hele tijd over doen, soms een leven lang, om datgene waar wij het meest naar verlangen, uiteindelijk tot onze stomme verbazing in onszelf te vinden. ‘Tat tvam asi’ heet dat in het Hindoeïsme: ‘Jij bent het zelf.’ Volgens mij is dat wat het christendom ook bedoelt met de menswording van God. Jezus herinnert ons eraan dat wij allemaal kinderen van God zijn. Wij zijn het zelf. Wij doen het. Wij laten het toe. Wij maken het. En wij breken het. Wij, de mensheid, in Den Haag en in Damascus, zijn het lichaam van Christus. En dan gaat het om breken en delen. Van het eerste weten we alles. Het tweede, delen, lijken we telkens opnieuw te moeten leren…

Met muziek van Desplat en Lane/Vitarelli. Verder hoorde u muziek uit de Westside Story en lied 620 uit het nieuwe Liedboek. Gelezen werd uit 1 Johannes 3: 2a. Het gebed kwam uit de bundel ‘Zeggen en zwijgen, oecumenisch gebedenboek voor alledag’ van Marcel Barnard e.a..

Terug naar overzicht…