Sport

Door Aart Mak

Zoals zovelen had en heb ik wat met sport. Had in elk geval. Vroeger kon ik moeiteloos alle spelers van heel wat voetbalelftallen uit mijn hoofd opnoemen. Ik was dol op de uren op de middelbare school dat we sport hadden, het maakte niet uit wat. Mijn ouders vonden dat ik naast mijn school maar één ander ding mocht doen, dus werden het muzieklessen en niet een sportclub. Achteraf heb ik spijt dat ik te weinig sportwedstrijden heb gespeeld. Mannen onder elkaar. Het ernaar toeleven. De sfeer na afloop. Maar ook het hardlopen. Jezelf verbeteren. En naar anderen kijken natuurlijk. Ademloos kijken hoe grote sporters zichzelf overwonnen, nederlagen moesten slikken. De schoonheid van het snelle samenspel. Ik heb dat nog steeds. Ik kan er intens van genieten. Ook van de verhalen. Maarten van der Weijden die kanker overwon en in 2008 Olympisch kampioen openwaterzemmen werd. Vrouwen die met z’n vieren, ook in Beijing, het goud op de 100 vrij haalden. Het is prachtig, zinnenstrelend soms en vooral hartstikke spannend.

Maar nu het spektakel dit weekend begonnen is – de Olympische Spelen in Brazilië, moet ik een bekentenis doen. Het vuur brandt niet in mij. De vonk is niet overgesprongen. In de auto luister ik nogal eens naar Radio 1, maar ik word langzamerhand dol van die sportzomer. Moet het echt alle weken van deze maanden over sport gaan? Natuurlijk, ook het andere nieuws wordt als gebruikelijk gepresenteerd en becommentarieerd. Maar behalve de als altijd gloedvolle en gedetailleerde verhalen van Mart Smeets kon niets mij bekoren. Ik vond het triviaal, saai en gezocht. Hoe vaak ik de radio niet heb uitgezet en lekker in de stilte van mijn hybride auto rijdend mijn gedachten heb laten gaan. En ik vroeg me af wat mij ergerde. De doping? Er zijn een paar tegels opgelicht de laatste maanden. Maar de maatregelen zijn halfslachtig. Joelia Stepanova die de klokkenluider was van het grote schandaal in Rusland, mag niet meedoen. Anderen, wielrenners bijvoorbeeld die ooit werden betrapt op het gebruik van doping, wel. Het is een riool en het blijft maar stinken, ondanks de putdeksels die er weer op gegooid zijn. Ik las wat de winterspelen in Sotsji hebben gekost. Ik hoorde voor welk bedrag de Franse speler Pogba van Juventus wordt teruggekocht door Manchester United. Ik weet inmiddels ook wat de gemiddelde speler in de matige Nederlandse voetbalcompetitie verdient. Wat zo mooi kan zijn, sport, vertoont veel trekken van hoogmoed en decadentie.

Maar ik kan het niet met mijzelf eens worden. Ik snap hoeveel mensen het ervoor over hebben om erbij te zijn in Rio. Vier jaar lang of meer alles opzij zetten. Ik houd van de mentaliteit van sommige sporters. Ze gaan door tot ze erbij neervallen. Ze leren omgaan met verlies. Er lopen sterke persoonlijkheden rond die voor heel veel jongeren als rolmodel fungeren. Ik houd van de schoonheid van het spel, de combinaties, of het nu waterpolo, volleybal of handbal is. Waarom zullen het overigens weer vooral vrouwen zijn die de medailles voor Nederland binnenhalen? Maar ik vind het ook nu weer opvallend dat het lijkt alsof er alleen maar Nederlandse sporters meedoen. Over buitenlanders, een enkele icoon als Michael Phelps uitgezonderd, wordt amper bericht. Terwijl ik toch zeker weet dat er tientallen sporters meedoen over wie heel bijzondere verhalen te vertellen zouden zijn. Is het dan toch weer dat vervelende nationalisme dat helaas ook zo vaak met sport samengaat? ‘Wij zijn beter dan de rest van de wereld, omdat er één van ons een gouden medaille haalt.’ Ik heb dat altijd idioot gevonden.

Ik vermoed dat die aantrekking en afstoting die ik beide voel bij zo’n megalomaan iets als de Olympische Spelen, ook te maken hebben met dat sport alle trekken van religie heeft. Het gevoel in een stadion is niet anders dan in een kerk. Het gebogen hoofd bij het volkslied, het samen zingen van andere liederen, het meedoen met de wave, de minuut stilte voor iemand die gestorven is, de vervoering bij een mooi spelmoment, het is allemaal één grote liturgie. Waar kinderen vroeger werden opgevoed in de kerk, worden ze nu klaargestoomd voor het leven op de sportclubs. Dat het leven regels kent, dat je kunt winnen maar ook kunt verliezen, dat je samen moet spelen, al die dingen, het is allemaal wat je vroeger op catechisatie kreeg, inclusief de grote voorbeelden of heiligen, Cruijff, Messi die je nu op Youtube-filmpjes kunt bekijken. En ook sport kent excessen, verslaving, hooligans, zoals religie sekten en fanatici kent. Religie is prachtig en gevaarlijk, net als sport. In mijn binnenkamer besluit ik om selectief te gaan kijken naar wat er in Rio gebeurt. En een beetje te letten op degene die struikelt over de tweede horde of afdruipt na een vernietigende nederlaag. Dan is sport hopelijk en gelukkig maar een spelletje. Zinnig, leerzaam, leuk, maar wel een spel.

 

Terug naar overzicht…