Haar

Door Ds. Aart Mak

Het is begin augustus en het is, laat ik zeggen, een groeizaam weertje. Het gras schiet overdadig de grond uit, alsmede alles wat al dan niet bewust door mensenhand gezaaid of gepoot is. Zelfs mijn baard groeit in de warmte van de zomer wat harder, wie weet ook door het vocht dat valt en blijft hangen in de atmosfeer. Ik scheer mij dus elke morgen, nou ja, bijna elke morgen. Op mijn vrije dag, zaterdag doorgaans, wil ik wel eens overslaan. Daarmee doe ik mee aan een eeuwenoud ritueel: vrij zijn, al is het maar een dag, betekent dat een man zijn haar laat groeien. We hebben die collectieve rage allemaal nog stevig in ons geheugen zitten. Hadden Elvis Presley en Buddy Holly nog zogenaamde vetkuiven, met de opkomst van de Beatles, de Rolling Stones, de Small Faces en de Kinks werd het tijdperk van het lange haar en later de snorren en baarden ingeluid. Vrijheid alom dus.

Als kinderen van een vader, zes jongens en pas later een meisje, moesten wij elke maand allemaal tegelijk naar de kapper. Ik had er als jongen een bloedhekel aan. Zat mijn haar eindelijk weer een beetje zoals ik wilde, ging kapper Molenaar er weer een kortgeknipt en dus lelijk hoofd van maken. Deze eeuwig babbelende kapper had een zaak aan de Zuidvliet in Maassluis. Hij werkte in het halve donker. Er zaten altijd, herinner ik me,  al wat angstige jongetjes half verscholen in een hoek als wij met z’n vieren ook nog eens binnen kwamen. Mijn jongste twee broers waren nog te klein om geknipt te moeten worden. Deze kapper werkte met slechts een enkel lichtpeertje boven zijn hoofd. Op een gegeven moment waren mijn ouders het zat. Blijkbaar was hij heel goedkoop. En hij was van de kerk. Maar na afloop, als we weer thuis waren, pakte mijn moeder haar schaar om wat de oude, volgens haar bijziende kapper, niet had gezien en was blijven zitten, alsnog weg te knippen. In de volgende woonplaats vonden wij een nieuwe kapper die er een halve middag over deed om ons zessen te knippen, maar die luisterde tenminste naar wat je zelf wilde. Hij heette Bennie, had een hoge stem, raakte je rustig en haast liefdevol aan en was, naar ik pas veel later begreep, iemand die dit weekend  met een grote roze schaar gewapend mee zou varen op de Amsterdamse Canal Parade van de Gay Pride. Toen kwam de tijd dat we helemaal niet meer naar de kapper gingen. Nou ja, helemaal niet, hoogop eens per vier of vijf maanden en dan nog na aanhoudend smeken van mijn moeder. Maar in die tijd liet zelfs de behoorlijk kalende premier Den Uyl zijn weinige haar groeien tot op zijn witte boord.

Haar is iets heel eigens trouwens, je hebt het of je hebt het niet, het zit altijd of het zit nooit. Daarom zijn jongeren altijd zo in de weer met haar. Er is op zekere leeftijd niets ergers dan dat je melkboerenhondenhaar hebt. Wij scholden vroeger jongens met stekelhaar uit. Het is mij zeker twee keer gelukt de paardenstaart of de twee vlechten van het meisje dat voor mij zat in de klas, in het in de bank ingebouwde inktpotje te dopen. En terwijl de volwassen wordende jongens verholen of trots hun borstharen aan anderen toonden als bewijs van hun mannelijkheid, waren de meisjes evengoed in de weer met heur haar – ik hoor het meester Rutgers nog zeggen: heur haar -, maar de bijna of al helemaal volwassen vrouwen gingen juist epileren, waxen en harsen. Wat een ellende eigenlijk. Te weinig haar is niet fijn, maar te veel is ook ellende. Ach, ieder heeft hier zijn of haar eigen verhaal. Deze dominee moet eens ophouden met altijd maar te zeggen dat ouder en grijzer worden nog niet betekent ouder en wijzer. Hij slaat hiermee de kalen onder ons over. Leve dus de afstammelingen van Karel de Kale! Ze hebben zoveel hersenen onder de schedel dat hun weinige haar zich vol eerbied uit het schedeldak heeft teruggetrokken. Ik raad u overigens wel aan voortaan beter op te letten. Er woedt op dit moment een discussie tussen Nederlandse politici en columnisten over de oorzaken en gevolgen van de daad van die vreselijke man in Noorwegen. Let goed op en staar u niet blind op wat ze zeggen. Kijk naar hun haar en zie hoe mensen met veel haar rechts zijn en conservatieve opmerkingen maken. Sterker nog: hoe meer haar, hoe rabiater rechts. En zie dan hoe ter linker zijde mannen als Cohen en Diederik Samsom nou niet bepaald veel haar hebben. Pechtold maskeert met een grote kuif een hoge haarinplant. Jan Marijnissen had gewoon geen haar. Zijn opvolger, Emile Roemer, heeft wel aardig wat haar maar bemoeit zich niet met deze discussie. Vanwege zijn te grote haarbos, vanzelf sprekend. En dat is dus het bewijs van mijn stelling, dat begreep u al.

Aan de velen onder de luisteraars en lezers die vertrouwd zijn met bijbelverhalen, hoef ik niet uit te leggen hoezeer het haar in het geloof een rol speelt. De jonge Jakob zegt ergens dat zijn tweelingbroer Esau behaard is en dat hij zelf een gladde huid heeft. De mate van lichaamsbeharing lijkt in deze verhalencyclus uit het boek Genesis een zaak van leven en dood. Dat geldt ook voor Simson, de mannetjesputter uit latere tijden. Zijn haar is niet alleen teken van de oerkracht die in zijn lichaam huist, zonder haar en met niets ziende ogen is hij als een hulpeloos kind. Van die oerkracht, gepaard aan verwoestend vuur, getuigt later ook de ongetwijfeld zwaar behaarde en woest uitziende Johannes de Doper. Hij zag er uit als een holbewoner, een Robinson Crusoë, die vanuit de vrije natuur het oordeel uitschreeuwde over de decadente, week geworden stadsbewoners van Jeruzalem. De kerk van latere tijden heeft de behaarde Johannes nooit zo goed begrepen. Die kerk zat als een kat in haar maag met al dat haar. Ik herinner mij uit de jaren ’50 de ouderlingen die, gezeten in de speciale kerkbanken, net als hun politieke voormannen een kaarsrechte scheiding hadden met keurig gekamde haartjes ter weerszijden en daaronder een  hoog opgeschoren hoofd. Het was de kerk van de rechte leer, het strikte onderscheid en de haarkloverijen op de kerkelijke vergaderingen.

Waarom ik dit allemaal vertel? Ach. De afgelopen week is Wim Dekker, de oude kapper van Bloemendaal op hoge leeftijd overleden. We zullen hem de komende week met eerbied begraven en met liefde aan God toevertrouwen. En ik heb de afgelopen week samen met mijn Astrid haar haren afgeknipt. We wisten dat het ging gebeuren, als gevolg van de chemokuur. En omdat ze toch in het ziekenhuis lag en de pruikenmevrouw niet kon komen, hebben we het zelf maar gedaan. Met een lach, een enkele traan, met liefde en met hulp van een zuster. Ik heb tegen haar gezegd dat ik kaal haar erg mooi vond staan en ik meende het. Zo zie je maar, een mens kan veranderen, in uiterlijk en in opvattingen – zelfs als het gaat over haar.

Met muziek van Grieg aan het begin (Holberg Suite) en Rachmaninoff aan het eind (einde 1e deel van zijn 2e pianoconcert). Verder hoorde u een fragment tuit de musical ‘Hair’ en het lied ‘Voor haar’ van Frans Halsema. Gelezen werd uit Lucas 12: 6-7. Het gebed kwam uit de bundel Bij gelegenheid (II) van Sytze de Vries.

 

Terug naar overzicht…